Chris van Geel
23-01-2026
DE NIEUWE SNEEUW
Het is alsof het sneeuwt vanuit de zon,
een nieuwe sneeuw.
Boven de bomen staan de wolken
als bolle vrouwen op een breed balcon.
En niets gehecht, geen nest.
Er is een ruilverkeer van kralen voor
een spiegel, kinderfluiten voor
een blikken pan.
Gesmolten houdt de hagel korrels vast.
De wolken zijn al lang geen vrouwen meer.
De lammeren zijn tekens van de lente,
de lente is een skelet met melktanden in het gras.
Bron: Tirade, 15 mei 1959
22-01-2026
OP WEG NAAR HET EINDE
Schaduw, om in geen kwelling stil
te moeten staan, gaat over
het smalle zonlichtloze gras,
snel en alleen.
Bron: Het Zinrijk, 1971
21-01-2026
HEMELS WANDELAAR
Over de rozen ben ik sneeuw
over de sneeuw ben ik de winter
en uit mijn zool trek ik een splinter
met een schier bovenaardse schreeuw.
(Aantekening Van Geel: “Men denke aan sommige dichters. (ARH)”
Bron: datering: tussen 1948 en 1955; Tijdrovertje, postuum verschenen, 1992
20-01-2026
De deur woei open en de gnomen bliezen,
bonbons zijn samen op ons bord gelegd.
Bron: Uit de hoge boom geschreven, 1967
19-01-2026
WINTER
Het leegstaan van de bomen,
ze worden door geen veer gekraakt.
Bron: datering: 1971-1973; niet eerder gepubliceerd
18-01-2026
SCHOON
Zuurkool is een van de groentes waarmee je je bord het mooiste schoon krijgt.
Bron: Barbarber, oktober 1970
17-01-2026
VER-LEVEN
Soms ontdek je in een foto
van een boom, een straat, gezichten –
zie die bleven bij je.
Bron: Het Zinrijk, 1971
16-01-2026
HOFSTAD
Het windoog treft de Twensteeg in het hart,
de nachtvorst loopt te janken langs de straat.
Tram die elektrisch timmert aan de weg
in groeven van verdriet krukt langs zijn draad.
Bron: Hollands maandblad, december 1965
15-01-2026
IJSBEREN
Ik zie een meer van enkel water,
er rijst een beer uit op van ijs.
Bron: Dierenalfabet, postuum gepubliceerd, 1978
14-01-2026
VLIEGEN
Als je vliegen een stevige mep verkoopt terwijl ze in de kamer rondvliegen (fel naar hun slaat met een vliegenklapper/mepper) en je zet dan een raam of deur open naar buiten, dan weten ze ineens heel gauw de weg naar buiten te vinden, heb ik vaak gemerkt.
Hanlo
Bron: Barbarber, april 1970