Chris van Geel
12-02-2026
DAL
Wij zijn in stilte steen, geen trap
voert naar de grond, geen weg wiegt ons
op weg, er is alleen maar zon
en wolken die als scherven zijn.
Dit is de grond die ons beweegt,
schreden uit ons bedoelen buigt.
Dit is het dal. De steilten zijn
bedekt door schaduw van wat daagt.
Bron: De Revisor, april 1974
11-02-2026
DICHTVEL
Dit is een papier vol dichte gaatjes
Bron: Barbarber, maart 1968
10-02-2026
FEBRUARINACHT
Als het voldoende waait om ze te horen
kijk dan aandachtig hoe onaangetast
het licht genoeg is om de bomen
oud te zien worden in hun lang gebrek aan blad.
Bron: Hollands Maandblad, maart 1969
09-02-2026
KLACHT DER AGRESSIE
Ik ben een langzame kogel die bij zijn baas wil blijven.
Bron: datering: 1970; Hun gratie is verborgen, postuum verschenen, 1991
08-02-2026
PROEFTUIN
In hun fragiele nood zijn zij omhoog gezonden
naar een geleerde die, vanouds, wat weten wou.
De kleinste haagjes zijn met paardehaar gebonden,
de grotere, gebloemd, besterven het van kou.
Bron: Het Zinrijk, 1971
07-02-2026
Verf nat de doden, schilder ze op.
Als grote zachte bloemen in de regen
slapen de bomen met de sneeuw.
Ovale wind waait dag en nacht
langs knoppen, bijna bladeren, sluit zich
in een voortdurend onderdak verlenen
om ieder ding.
De druppel van gedooide rijp
draagt vuurkleur van de regenboog,
het diepste geel, haast groen, koud blauw,
nieuw wit, water dat brandt.
Bron: fragment uit ‘Tussen seizoenen’; Uit de hoge boom geschreven, 1967
06-02-2026
BOOM OM
De met een open oog gevallen boom,
donker van regen uit omzien getild,
zijn tak beklemd, de honger ongestild,
ligt waar hij viel, ruist in zijn kroon.
Bron: Vluchtige Verhuizing, postuum verschenen, 1975
05-02-2026
DE HULST DIE BIJ DE ROOMSEN GROEIT
Vollere bomen in de oude tuinen
van kerken in een straat die donker is,
zij steken rijke armen door het hek
en uit klein grint en zij verbazen aan
wie ’s nachts in mei de roomse bomen ziet,
de hulst die bij de roomsen groeit.
Bron: datering: 1970; Hun gratie is verborgen, postuum verschenen, 1991
04-02-2026
FEBR. ’55
Reeds weken ligt de sneeuw met opgetrokken lippen
te krimpen in de wind, te drogen aan zijn dorst.
Hij sterft niet aan de dooi, hij sterft aan de vorst.
Er stuiven korrels van zijn huid om te gaan drinken.
Bron: Spinroc en andere verzen, 1958
03-02-2026
EIKJE
De kou heeft hem verschroeid, maar hij,
ontplooid, bleef aan de zomer trouw,
open en strak,
een eikje dat zijn blad behield,
bruin en verdord, maar eetbaar bruin
en leefbaar dor.
Bron: Het Zinrijk, 1971