Chris van Geel
10-11-2025
BUIKZWAM DE AARDSTER
Hij springt tot ster in slippen open,
hij draagt van binnen rookdun zaad,
hij stuift zijn sporen maar hoe stuift
hij als hij niet wordt aangeraakt?
Bron: De Revisor, april 1974
09-11-2025
KOUD
Ik heb ’t koud, ik heb mijn bril niet op
Bron: Barbarber, oktober 1970
08-11-2025
VLIEG
Een web, hij trekt de draad
als deken om zich heen
en slaapt het rag vol dauw,
gevangen edelsteen.
Hij zweet, hij smeedt zijn huis
vol diamanten om
tot puin dat aan hem hangt
zolang hij vliegt in droom.
Bron: Vluchtige Verhuizing, postuum verschenen, 1975
07-11-2025
GELUK
Een steen tegenkomen in een hap krentenbrood
zonder er eerst op gebeten
te hebben. Een groot geluk, vol diepe geruststelling.
Bron: Barbarber, december 1969
06-11-2025
De dagen zijn lang heen
van toen een steentje scheen
ons druk en droefenis.
Dit nu een veertje is.
Bron: datering: 1948-1955; Tijdrovertje, postuum gepubliceerd, 1992
05-11-2025
MET DE ZAKLAMP OP STAP
Schijn ik ermee de wei in, gloeien
verspreid tien ogen op, vijf koeien.
Bij tijgers staan ze even wijd
uiteen als bij dit zwarte vee.
Bron: Barbarber, september 1968
04-11-2025
AVOND EN MORGEN IN NOVEMBER
Geen wolk, geen borden in een rek,
geen witte marmeren koninginnen:
een grijze nacht en wind en helderheid,
geen mist, geen licht. –
Des ochtends zon
boven de duinen, laag, rood, rond,
een non, een borst, een duif, een gouden ring,
een kap, een kalken nul op ruiten,
woorden, wellust, meid.
Bron: Spinroc en andere verzen, 1958
03-11-2025
WINDMACHINE
Een jute lap op snel draaiende latten, dat is de windmachine.
Bron: Barbarber, september 1969
02-11-2025
ALLERZIELEN
Over drempels loopt vuur uit de huizen.
Naaldhakputjes vult de regen.
Bron: Het zinrijk, 1971
01-11-2025
KERKHOF IN HET BOS
Het bos is breekbaar waar ik ga.
Ik wil niet dat de takken breken.
Ik denk aan het ontstaan van boombast,
het ingewikkelde vergaan
en hoor de wind uit zijden lucht
opsteken, dunne godenknieën
de takken breken, dorre droge
lippen een poging doen te spreken
vanuit een groene zonbeschenen
lage in bos begraven wei.
Bron: Spinroc en andere verzen, 1958