Chris van Geel
21-03-2026
EERSTE LENTENACHT
Als witte marmeren jongelingen rustend op
hun elleboog ligt de sneeuw opzij van de weg.
Men hoort de nog bevroren stem van vogels,
kieviten in het koude gras.
Ik zet de eerste nachtuil buiten,
mijn vinger strijkt het poeder op zijn vleugels glad,
hij doet drie stappen, zit –
een lange zomer wacht.
Bron: West-Frieslands Oud en Nieuw, 26e bundel, 1959
20-03-2026
GELUK
Tot zijn geluk was de valbijl geslepen. Nu trad er geen infektie op.
G.B.
Bron: Barbarber, december 1971
19-03-2026
TUIN
Hoe met een goede plantslag midden
in jou te planten met een list
een tuin als daar een plaats voor is,
het licht en daar de lente van.
Bron: Enkele gedichten, 1973
18-03-2026
PLEK VAN VOORMALIG CONCENTRATIEKAMP
Men graaft er zand,
men bakt er stenen van.
Bron: De Gids, april-mei 1966
17-03-2026
KREUPELBOS
Barbaars en onbegaanbaar is
beregend struikgewas.
Iedere tak voert naar de grond,
schiet straks in vuur
een bloem op schoot.
Groen klemt zich aan de knop,
knop aan de takken vast.
Bron: Uit de hoge boom geschreven, 1967
16-03-2026
Een huis met 1 kraan
Een bos van 1 boom
Bron: Barbarber, december 1967
15-03-2026
Waar hij ook aanspoelt
de zee trekt een lip.
Bron: Het Zinrijk, 1971
14-03-2026
GROET AAN G.v.O. UIT MAROLAKA
De lange dragers tussen lange twijgen,
de negers horen bijen, zoeken honing,
of ruiken een citroenboom, groen, wild, zoet.
Aan de moerassen komt geen eind; terwijl
wij kruisdiep waden schreeuwen wij ons hees
om kalme krokodillen te verjagen.
De benen tinten oranje na het water,
vol zweren van de dorens en bloedzuigers.
Verbaasde maki’s op boomtakken staren.
Het dorp is kaal, van bladeren gebouwd.
Vrouwen rennen stampvoetend in een stofwolk
om het dor huis van wie dood ging vandaag.
Hun rouwroep: roeienroeien! roeienroeien!
en: houjebekhè! houjebekhè!, uit
den treure, is niet van de lucht vannacht.
Bron: Tirade, 15 oktober 1959
13-03-2026
TEA-COSY
Ons poesje zit als een theemutsje op zijn bak.
Bron: Barbarber, december 1967
12-03-2026
SLAAPLES
Wie in maanlicht windstil drijvend
’s nachts onthalsde zwanen slapen zag,
hij zou inzien wat het waard was
wat hij voorstaat overdag.
Bron: Enkele gedichten, 1973