Chris van Geel
09-08-2025
DAME AAN ZEE
Zij doet haar borsten uit haar bloes,
de een en twee.
Zij liggen nu als los op haar geklede lijf.
Een zonechtpaar.
De tepel als een anjer,
de zogenaamde roos.
Haar voeten spelen met elkaar,
rusten in het zand.
De zee is net niet groen, niet grijs.
Bron: Spinroc en andere verzen, 1958
08-08-2025
SENTANIWEDUWE (N.G.)
“Vroeger ik ga uit,
zwem in water, vang
weinig vis. Mijn man
boos, geeft slaag.
Andere dag ik vang
veel, schoonmaken duurt
lang, man boos, geeft slaag,
wacht te lang.
Man nu dood. Ik rust,
eet wanneer zin.”
Bron: Barbarber, september 1964
07-08-2025
FILE
Een populier, rij ratelpopulieren,
het gras door wind gebogen buigt en glanst,
de brug is open, droogte ruist, hij wacht.
Wie ooit de bomen zag, de dijk afkeek,
een koe, grijs water in het vergezicht,
hij zag genoeg, hij kan de stad weer in
waar tussen muren met balcons bespijkerd
te zien door glas zijn tuin van herkomst ligt.
Bron: Hollands maandblad, februari 1973
06-08-2025
De zee staat rustend op
haar golven rustend golven af,
haar lip hartstochtelijk
ontcijfert zand.
Bron: Het Zinrijk, 1971
05-08-2025
GENOT
Met z’n allen internationaal genieten
Bron: Barbarber, december 1971
04-08-2025
WAAR BEN IK DEZE ZOMER TOCH GEWEEST?
Het regent. Hoor. Of vogelpootjes schrapen
het glas waardoor ik naar de hemel zie,
die eenmaal blauw, ach, met een kudde schapen
en Christofoor in ’t water tot zijn knie…
Bron: datering: tussen 1948 en 1955; Tijdrovertje, postuum verschenen, 1992
03-08-2025
BOOM ALS HEKPAAL
Van tot onzichtbaarheid verroeste
diep in zijn huid gegroefde draad,
viermaal een groef, laag bij de grond,
viermaal een mond, rimpelt een groet.
Bron: Het Zinrijk, 1971
02-08-2025
CÔTE D’AZUR
J’ai mangé une orange
à l’ombre d’un palmier
étrange étrange étrange
J’ai mangé un palmier
à l’ombre d’une orange
de plus en plus étrange
(Uit het poëziealbum van een dame, rond 1900; tweede strofe door een ander toegevoegd. Jeugdherinnering van Nescio).
Bron: Barbarber, november 1963
01-08-2025
PLEIN
Dat is een prachtige boom
voor die sigarenwinkel,
er daalt een duif in neer.
Een schilder schildert trage halen.
Onder de ladder staat de bakker in zijn deur,
bespat met schaduw van de blaren.
Het asfalt is van muizenleer.
De meisjes fietsen glimlachloos,
hun knieën tillen bloemen op.
Bij Fientje zijn de schermen neer.
Bron: Spinroc en andere verzen, 1958
31-07-2025
SPINACHTIG
Spinachtig wezen in het grint,
mijn zaklamp heeft het lang beschenen,
het had haar lichaam tussen benen
als ik mijn oren in de wind.
Bron: Hollands maandblad, februari 1971