Chris van Geel
24-05-2025
VERKEER
Als hielden handen opgeheven naar
een lus zich vast in openbaar vervoer,
zie ik de bomen en hoe roerloos blad
zich vastklemt aan de takken die zich spreiden.
Bron: datering: 1973; postuum gepubliceerd in Tirade, maart-april 1992
23-05-2025
FATUM
De hond drinkt uit zijn spiegelbeeld
het hele plasje leeg.
Bron: Barbarber, december 1967
22-05-2025
Als in de verte de zee zich verliefd toont,
heldere golven steeds nemen elkaar,
denk ik vol spijt aan het plein waar mijn lief woont:
zeeheldenbuurt waar geen viking meer vaart.
Bron: datering: 1948-1955; postuum gepubliceerd, in Tijdrovertje, 1992
21-05-2025
LEER DER PROPORTIËN
Het teentje maan dat gisteren te klein was
maar nu zo klein dat ik het op zijn plaats vind staan,
er is steeds minder nodig om het te bedekken,
steeds minder nodig om het te verstaan.
Bron: Het zinrijk, 1971
20-05-2025
PEINTURE
Bij het schilderen van een appeltje sneed hij zich in de vinger
Bron: Barbarber, maart 1968
19-05-2025
DALENDE EEND
Een inval van herboren weelde,
het water schommelt diep onthutst,
een eend apart is klein van stuk,
zieltogend water zijn gemeente.
Bron: De Revisor, februari 1974
18-05-2025
IN DROOM
In een bladstille droom
hoorde ik kreunen op de weg.
Mijn vader sprong op
uit zijn stoel bij het raam –
wij waakten die nacht –,
snelde de tuin door, ik ook.
Het licht van de maan
omrandde met scherpe glanzen
boomstronken, een wagenschot,
de struiken, ieder blad.
Ik zelf lag daar in het donker
in de regen languit op het pad.
Bron: Tirade, november-december 1959
17-05-2025
De leeuw is in het hout geboren,
wortels zijn poten, wortels zijn kop.
Bron: Uit de hoge boom geschreven, 1967
16-05-2025
SLUIPEIKEN
O wat zijn de bomen prachtig,
die uit de grond zijn opgehaald,
houten delfstof
waaraan kameleonachtig
gave fossielen hangen,
ieder jaar groen, ieder jaar dor.
Waarom wringen zij zich in bochten?
Is de ruimte dan toch
oog van een naald?
Bron: Spinroc en andere verzen, 1958
15-05-2025
APRIL, VROEG
Lang voor de zon opkomt, in licht
nog nat van nacht, niet één geluid
hetzelfde, ziedend fluiten zij
elkander moord en doodslag toe,
de veren die hun messen slijpen,
de snavels die de zon aanvuren,
de vogels die van licht bedaren.
Bron: Uit de hoge boom geschreven, 1967