Chris van Geel
14-12-2025
BEWOOND
Ik zag een kamer vol met struiken
en in de keuken stond een boom.
Bron: datering: 1970; Hun gratie is verborgen, postuum verschenen, 1991
13-12-2025
BEGRAAFPLAATS DE GEEST
De coniferen staan in dikke mouwen bont
de ontmoeting van mevrouwen op
een tuinpad na te apen.
De stenen spreken, steken boeken uit de grond.
Wat is er veel te lezen als
wij onder data slapen.
Crapauds en leren leunstoel zijn verzonken in
het zand. De kamer heeft vier rechte ramen,
blinkende vensters, kiezel ligt in het kozijn
en narcis prijkt en bleke hyacint, krans dor,
mos schoon.
Bron: Tirade Bloemlezing, maart 1959
12-12-2025
STRAAT IN DE WINTER
Het asfalt in zijn huid van rat vangt licht
van lampen die aan draden hangen huis tot huis.
De kin der stoeprand buigt de straten in.
Geen steen verschuift het web, geen zachte vuist,
geen mist. Alleen een afgrond beurt naast iedereen
zijn stap, en vorst, een springtouw in de hand, vaart als
een zwaan, slaat als een staart, slaapt in de grond.
Bron: Spinroc en andere verzen, 1958
11-12-2025
GEGEVEN RAAD
Neem landschap mee naar bed,
een zeegezicht, een boom,
een horizon, twee kusten,
wind op het meer in slaap.
Bron: datering: 1970; Hun gratie is verborgen, postuum verschenen, 1991
10-12-2025
WEILAND
De palen dragen prikkeldraad,
armen als hieven zij
guirlandes, elkander in een dans.
Het paard zet in de sneeuw
zijn hoeven in de sporen van
zijn lippen – hoorbaar scheurt het gras.
Bron: Uit de hoge boom geschreven, 1967
09-12-2025
WINTERAVOND IN NEDERLAND
Het vriest. Wij zijn nog stiller dan een struik
en lezen bij de lamp ons leven uit.
Het is de klok die tikt, het is de wind
die staat en valt, apostelen onder glas.
Bron: datering: 1969-1970; Begane grond, postuum verschenen, 1985
08-12-2025
WILHELMINA
bij haar laatste koningschap
Rust zacht. De uitvaart van de witte wijfjesbeer,
de witte pad van het verzet, mis ik. Zij gaat
de tombe in, de poolnacht van een beer en baart
in ingesneeuwde winterslaap, zonder ontwaken,
bij vijftig, zestig graad min nul, geen knotklein broed.
Zij zoogt niet meer, zij zwijgt, zij slaapt als beren slapen,
dieper, adem ontberend, vorst bedekt de groef.
O koningin en oudste god, sneeuwhoen en -beer,
slaap voort verknocht aan klok en knook, de poolster waakt
over de grote beer, voor u ontdooit de melkweg.
Uw jongen zullen niet te tellen zijn, uw geest
blaast slapend geest van het verzet in jonger geest.
Rust zacht, straks woon ik op het water dat bevriest,
een schots drijft smeltend langs met uw in bont gehulde
krentkleingeoogde majesteit puntgaaf er op.
Het zal dan nacht zijn, nacht – want wie de oorlog kent
leeft met de oorlog voort, de honger toen is nu –
en iedere beer een pad en iedere pad bevriest.
Vorstin en oudste God, bevroren Koningin.
(op acht december 1962 in een stad elders)
Bron: Het Zinrijk, 1971
07-12-2025
Stomme H – om voor je uit te prevelen als er niets meer te zeggen is.
Bron: Barbarber, november 1967
06-12-2025
ABEELTJES
Zij staan als wie zijn hand ophoudt
niet hoger dan een kind. Het sneeuwt.
Het lange staan van kleine bomen
waar weer en wind de hand in had,
het is wat ze is overkomen
hun levenslange bedelpad.
Bron: Vluchtige Verhuizing, postuum verschenen, 1975
05-12-2025
De koeien schemeren door de heg,
het paard is uit taaitaai gesneden,
in ieder duindal ligt dun sneeuw.
De branding vlecht een veren zee
waar zon over omhoog stijgt, licht waarin
geen plaats om uit te vliegen is.
Bron: Uit de hoge boom geschreven, 1967