Chris van Geel
28-12-2025
WINTER TE G.
Het waait. De wolken staan, al waait het, stil
als wolken in een uitgestrekt museum,
versleten verten uit het Directoire,
vertelsels die de wereld niet meer wil.
Hier in de bocht waar zich de weg verbreedt
tot een klein plein van gras laat ik mijn fiets.
Het bruine eikje in zijn harnas van
dor blad geurt vluchtig naar odekolonje.
Ginds roept een stokevier mij bij mijn naam.
Ik loop er heen. Hij ritselt met zijn koker,
houdt zijn van klei gebakken roze wiek
los van zijn schouders in de vrieskou open.
Het waait. De wolken staan, al waait het, stil
als wolken in een uitgestrekt museum.
Wie hing zijn vleugels hier te drogen, wie
sloeg het blad, de wolken aan een spijker vast?
Bron: Spinroc en andere verzen, 1958
27-12-2025
De sneeuw rent om het huis en blaft,
zet korzelige poten op de tuingrond neer
en snuift eraan en krabt en hijgt wanneer
de wind gaat liggen.
Bron: Uit de hoge boom geschreven, 1967
26-12-2025
Als het gebeurde wat ik wou zou ik graag onze lieve heer zien bij de kerstboom, graag dat hij er ineens stond, dat ik hem zomaar zie, dat hij heel mooi aangekleed is.
Ik bekijk hem goed, ik wou ook dat hij lang bij ons bleef en dat hij dood stil stond, helemaal niet bewoog, misschien heeft hij een baard.
Ik heb hem nog nooit van mijn leven gezien.
En dat wou ik.
(7 jaar)
Bron: Barbarber, november 1963
25-12-2025
Als het 25 december is ben ik blij, want toen was Jezus verrezen.
Ik zoude toch zo graag willen hebben dat Jezus echt zou verrijzen. En dat we Jezus konden zien. Want ik zou zo graag weten hoe Jezus er uit zag.
Want als ik dat zou weten zou ik veel braver kunnen leven. En ook veel braver kunnen zijn.
En als het dan tekenles was en Jezus in zijn kribbe moeten tekenen dan zou ik dat veel fijnder kunnen.
(9 jaar)
Bron: Barbarber, november 1963
24-12-2025
IJSBLOEMEN
Het raampje is een Séraphine,
een bloemstilleven ongezien,
een nonnenspiegel, een gewas
vol donzen dorens, melk van gras,
oase onder een pak sneeuw,
berijpte manen van een leeuw,
albino’s, schedelverentooi,
strikken van tule, ’t krullenooi —
ze drukt haar pop tegen haar vacht
en ooilam, ooilam zegt ze zacht —,
paard, pluim, toom, tuig en rinkellast,
dood fluitekruid, een holle bast,
een schalvel, een dicht berkenbos,
een meisjesschool met haren los
het duin afrennend wie-het-eerst,
een knippapieren kinderfeest,
van porselein, van gips, van steen,
soldaten op hun tinnen teen.
Het ziet er van de doden wit.
Men kijkt er binnen hun gebit.
Een schaduw zonder ondergoed.
Graftuiltje dat het zeggen moet…
Bron: Spinroc en andere verzen, 1958
23-12-2025
MUUR
’k Ben ouder dan ik ben, een muur om naar te kijken,
voegen en steen, vroeger in steen gemetste lijken.
Wie mij verwijt kan klimmen naar wat ik onttrek,
kan over puntig glas mijn binnenkant bereiken.
Bron: datering: 1969-1970; Begane grond, postuum verschenen, 1985
22-12-2025
Er is voortdurend wind, wind
door het dorre blad, dat afgewend, vergeten,
stijf hangt van kou.
Sneeuw knerpt onder mijn zolen,
wind drukt mijn jas, het skelet van dunne
besneeuwde bomen, van sneeuw op gras.
Bron: Uit de hoge boom geschreven, 1967
21-12-2025
Gewoon als ieder beest
belust op prooi, niets meer,
niets minder –
wat zeggen wil: bekaf.
Bron: Het Zinrijk, 1971
20-12-2025
OPSTAAN BIJ RADIO
Waterhoogten in de ochtend
maken kamers vol van kou,
waterkou en blauwe luchten,
was en val, ik was mij gauw.
Bron: datering: 1948-1955; Tijdrovertje, postuum gepubliceerd, 1992
19-12-2025
SNOETJE
Een snoetje van ontroering, een snoetje van ontrouw.
Bron: Barbarber, september 1969