Door Freek Van de Velde
In het najaar van 2011 heb ik in Gent een semester lang een aantal colleges historische taalkunde gegeven. Een tijdelijke vervanging van Jacques van Keymeulen. Genereus als altijd had Jacques me zijn lesmateriaal gegeven. Voor het vak historische fonologie kon ik terugvallen op materiaal dat hij goeddeels zelf weer van Johan Taeldeman had geërfd. Verder schoot ook mijn oud-promotor Joop van der Horst me ter hulp met zijn eigen collegenotities, want die gaf een vergelijkbaar vak in Leuven. Plus nog het handboek van Jef Van Loon uit 1986 en dat Cor van Bree uit 1987. In september 2011 zat ik dus in mijn studeerkamer, verschanst in een soort burcht met papieren torens vol notities van het type ‘skr. bhárami -> got. bairan ‘dragen” en ‘Clovis -> Hlodovech -> Lodewijk’. Omdat de historische fonologie zo’n goed doortimmerd domein van de taalkunde is, waar niet elke tien jaar zo nodig het warm water uitgevonden hoeft te worden, viel het goed mee om uit die kabbalistische krabbels een overzichtscollege te distilleren. Evengoed is het lastig om alle klankwetten in je hoofd te houden, en als jonge docent moet je natuurlijk wel zien dat je een niet te beunhazerige indruk wekt, dus met de vuisten op de slapen prentte ik me in dat ‘eo’ en ‘iu’ in het Gemeengermaans allofonen zijn van wat in het Indo-Europees een bifonematische combinatie ‘ew’ was, en dat de reden waarom de occlusief van ‘zoeken’ in het preteritum ‘zocht’ een fricatief geworden is, in de syncopewet van Sievers gelegen is. Verreweg het handigste hulpmiddel bij zo’n karwei is een schema waarin met pijlen het traject van de klinkers en medeklinkers door de geschiedenis heen gevolgd wordt: splits, mergers, fonemisering van allofonen, umlauten, allemaal in een overzichtelijk diagram. Zo’n diagram staat bijvoorbeeld in het boek van Van Loon op pagina 151-152.
Tussen het Gentse materiaal dat Jacques me gegeven had, zat ook zo’n schema. Een uitklapvel op krankzinnig groot formaat, dat je bij wijze van spreken alleen goed kon overzien als je minstens drie forse passen achteruit zette. Het was met de hand gemaakt, in een aandoenlijk schools handschrift. Zonder doorhalingen, alle pijlen kaarsrecht, met een liniaaltje getrokken. Duidelijk een in-het-net-overgeschreven versie. Dat schema was van de hand van Johan Taeldeman. Ik heb dat vel ingescand, wat door dat weinig handzame formaat nog een heel gedoe was, en aan de studenten gegeven, die daar hun voordeel mee konden doen op het examen.
Na 2011 heb ik het vak gegeven in Leuven. Zowel Jef Van Loon als Cor van Bree hebben nieuwe edities van hun boeken gemaakt, dus het lesmateriaal is na zes jaar niet meer helemaal hetzelfde. Maar één document blijft voor de studenten onveranderd: de grote klankwettenposter van Johan Taeldeman. Zo spreekt hij over het graf heen tot de studenten historische taalkunde, zelfs in het Brabantse binnenland. Zijn invloed reikt verder in het oosten dan heel wat ingweonismen waar hij zo goed van op de hoogte was.


Dit is geweldig! Er zou ’n plein in Gent mee betegeld moeten worden.
Inderdaad respect voor zoveel vlijt en nauwkeurigheid.
Helaas zijn alle 17 Indogermaanse klinkers verouderd. Wordt nog een klus om dit – met behoud van de didactische waarde – op te knappen!
Klaas Jac. Eigenhuis