Toen de zogenaamde ‘Dichter des Vaderlands’ bedacht werd, was het al een stom plan – uitgevonden door een stel corpsballen aan een borreltafel bij Poetry International. NRC Handelsblad werd al snel mede-initiatiefnemer voor het idee dat destijds kaderde in de ‘Nationale gedichtendag.’ Via stemming zou de eerste ‘Dichter des Vaderlands’ gekozen worden. NRC kondigde het aan op zijn voorpagina van 27 augustus 1999:
Ook voor de Nederlandse ‘Dichter des vaderlands’ zal er naar verwachting werk genoeg zijn. De vijftiende Elfstedentocht, een kroonprinselijk samenwoningscontract, de inwijding van een nieuw waterwerk, een tweede plaats van het Nederlands voetbalelftal – gelegenheden genoeg voor de Dichter des Vaderlands om pen of pc in beweging te zetten. In Groot-Brittannië kreeg de Poet Laureate tot voor een kort een jaarlijkse toelage van 165 pond en een vat met witte port, in Nederland wordt gedacht aan een Nederlands honorarium: een kunstwerk, eens per maand een ruimhartig boeket, plaatsing van de vaderlandse gedichten in het Cultureel Supplement, en wellicht een geldbedrag.
Van meetaf aan dus een initiatief van mensen die poëzie niet serieus nemen. Niet zo gek dus dat de eerste echte gekozen kandidaat meteen bedankte voor de eer. Dat was Rutger Kopland, van wiens werk je veel kunt vinden, maar die de poëzie in elk geval te ernstig nam om zichzelf en zijn werk voor zo’n dispuutsinitiatief te lenen. Dus werd het Gerrit Komrij, een superieure rijmelaar die in die dagen een tamelijk grote bekendheid genoot in literaire kringen, vooral door zijn uitgangspunt nooit iets serieus te menen, zodat hij er ook nooit op aangesproken kon worden (‘Nimmer ben ik de oppervlakkigheid en het boerenbedrog ontrouw geworden, nimmer heb ik iets gezegd “wat ik nu eens meende”’).
Na wat rare verwikkelingen werd Komrij’s opvolger Simon Vinkenoog, de man die zijn gehele carrière druk was om zijn dichterlijk wagonnetje aan te haken bij de nieuwste voorbijrazende trend en daar steeds zodanig mee doende was dat hij helemaal vergat om een oeuvre of zelfs maar één gedicht te schrijven dat iemand zich tijdens zijn leven nog herinnerde. Toen werd het Driek van Wissen en waren we stilletjes van de superieure rijmelaars overgegaan naar de categorie der zeer doorsnee-rijmelaars.
In plaats van op dat moment rigoureus vast te stellen dat de grap lang geduurd had, ging men door met gehannes. Bij de nieuwe verkiezing was er sprake van een campagne, een ‘titelrace’, een shortlist. Én een boel ophef met ruziënde dichters, zo meldde NRC op 20 januari 2009.
Ramsey Nasr, een van de genomineerde dichters, publiceerde gisteren een opiniestuk in de Volkskrant waarin hij zijn collega Tsead Bruinja en diens campagneteam opportunisme verweet. Door overvloedig de publiciteit te zoeken, steunbetuigingen te publiceren en door het kritiseren van andere kandidaten zou de campagne van Bruinja er mede verantwoordelijk voor zijn dat de verkiezing steeds meer op een circus gaat lijken.
Uiteindelijk trok dezelfde Nasr (dus) aan het langste eind: hij werd de nieuwe Dichter des Vaderlands. En, zo meldt ons de officiële website in eigenlijk al omineuze termen: ‘Met de invulling die Ramsey Nasr aan de erefunctie van Dichter des Vaderlands heeft gegeven, heeft het ambt aanzienlijk aan gewicht gewonnen.’ Dat had de organisatie inderdaad grondig aangepakt: alles wat nog maar een vleug van ironie, geestigheid, al dan niet superieure zelfspot of lichtvoetigheid vertoont, verdwijnt immers waar Ramsey Nasr voet zet.
Zo dobberde het vaderlandse dichterschap de nodige jaren voort, losgeslagen van elk anker. En nu waren er best een paar serieuze bekleders van wat intussen dus ‘het ambt’ was gaan heten, maar dat hun poëzie serieus te nemen was lag uiteraard niet aan hun benoeming.
Een heel nieuwe fase ging de farce dezer dagen in toen de huidige ambtsbekleder, Babs Gons, bijna aan het einde van de rit, haar bezwaren kenbaar maakte tegen de titel ‘Dichter des Vaderlands’. Gons had het wezenlijke probleem niet duidelijker kunnen formuleren, toen ze de gang van zaken bij haar benoeming beschreef:
Naast de felicitaties kwamen er ook heel wat opmerkingen over de titel. ‘Des Vaderlands???’ Het werd duidelijk dat mensen er iets van vonden. Niet alleen uit mijn netwerk maar ook de radiopresentator die me interviewde, de NOS-medewerker die een item maakte. Mensen vonden het gedateerd, patriarchaal, koloniaal, etcetera. Natuurlijk, het was ooit als ludieke titel bedacht maar aan de reacties was te merken dat de van oudsher ironische boodschap vaak niet overkwam.
Vooral die laatste zin blijft me maar bij: hier was de keuze voor Gons toch al bij haar aantreden duidelijk moeten zijn? Als zij zich dus realiseerde dat het hier om een ‘ludieke titel’ ging met een ‘van oudsher ironische boodschap’, dan had ze óf meteen moeten zeggen: ‘Ik doe het niet’, óf, als ze zich met haar werk wél wenste te lenen voor ludieke ironie, moeten uitleggen aan netwerk, radiopresentator en NOS-medewerker hoe ironie werkt en wat ‘ludiek’ betekent.
Niettemin won hier natuurlijk glansrijk de wetmatigheid uit de marketingwereld: er is niemand in een zelf in het leven geroepen functie die die functie zal opheffen. Dus ook nu weer geen olifant met een grote snuit, maar de oplossing die elke consultant, marketingman, manager en bedrijfskundige zou geven: verander gewoon die naam!
En die is dan wel weer geheel in de traditie van de onzalige combinatie van geklungel, gedoe, ijdelheidjes en belangrijk-doen die de Dichter des Vaderlands zo vaak kenmerkte. Wat werd namelijk bedacht? We noemen het voortaan de ‘Dichter der Nederlanden’.
Klinkt hè?
Maar eh… is dat nou een afrekening met ‘gedateerd, patriarchaal, koloniaal’? De verzamelde prominenten (want de andere takken van de ‘Des vaderlands’-industrie doen gezellig mee) kiezen uit het complete beschikbare idioom in het Nederlands uitgerekend voor twee woorden die strikt voorbehouden zijn aan het meest ondemocratische en feodale wat ons land te bieden heeft: de monarchie.
‘Der Nederlanden’!
Wij hopen te mogen vermoeden dat Wij hier een superieure, ludieke laag van ironie hebben gemist.
prachtig!
Wat een fijn geschreven stuk. Maar marketingmensen kiezen juist niet snel voor een naamsverandering. Die leidt er namelijk toe dat positieve associaties met de oude naam hun waarde voor een groot deel verliezen en dat – uiteraard – de naamsbekendheid inzakt. Naamsverandering van een gewaardeerd en zeer bekend iets leidt ook onvermijdelijk tot irritaties en ‘mensen die “Raider” blijven zeggen’. Wanneer het tot discussies leidt, krijg je ook nog de associatie met ‘gedoe’.
Het is hierdoor wel een heel interessante zaak om te volgen. Hopelijk werd al degelijk gemeten wat de bekendheid en waardering van ‘Dichter des Vaderlands’ is en wordt dit onderzoek over een jaar herhaald met ‘Dichter der Nederlanden’.
Of niet, als het toch gewoon een farce is.
Complimenten! En vooral voor het gebruik van het woord ‘ludiek’. Genieten hier.