Op zondagmiddag 9 februari 2025 was er in De Constant Rebecquestraat in Den Haag, in zaal 3 – onderdeel van Het nationale toneel – een middag georganiseerd rondom dichter / filosoof Johan Andreas dèr Mouw. Zaal 3 is een ‘laboratorium voor de jongste nieuwe makers’. Men focust daar ‘op toneel en performance, met cross-overs naar beeldende kunst, muziek, poëzie en filosofie. Inhoudelijke accenten zijn projecten uit de lhbtqia+ gemeenschap en makers van kleur.’ Een perfecte plek dus voor Dèr Mouws unieke en eigenzinnige werk. Er is in zaal 3 al vaker aandacht geweest voor poëzie en literatuur in brede zin, telkens onder de bezielde begeleiding van schrijver Kees ‘t Hart.
Allereerst legde Kees ‘t Hart zelf uit hoe en waarom de poëzie van Dèr Mouw in zijn leven en werk een rol had gespeeld. Het aandachtige publiek luisterde geconcentreerd naar ‘t Harts gevoelvolle voordracht van enkele van Dèr Mouws gedichten.
Vervolgens ging Neerlandicus en biograaf Lucien Custers in op Dèr Mouws werk, tegen de achtergrond van zijn filosofische onderzoekingen en maatschappelijke loopbaan. Uiteraard kwam hierbij ook de creatieve poëtische eruptie aan de orde, die de dichter omstreeks 1912 onderging, waarschijnlijk onder invloed van zijn intensieve contact met Victor E. van Vriesland.
Reinder Storm behandelde de talrijke bloemlezingen uit het werk van Dèr Mouw, die vanuit verschillende invalshoeken zijn gemaakt, door achtereenvolgens E. Du Perron, Victor van Vriesland, Gerrit Komrij, Marjoleine de Vos en Jan Kuijper. Bij allen was enthousiasme de drijfveer, en het doel – telkens opnieuw – deze unieke poëzie onder de aandacht te brengen. Slechts tien van de honderden gedichten die Dèr Mouw schreef komen in alle genoemde bloemlezingen voor, en vormen de informele ‘Brahman-canon’.
Jesse Dorrestijn vertolkte zingend, ingehouden en subtiel, twee gedichten met gitaarbegeleiding, en nam in zijn performance het ademloos luisterende publiek met overgave op sleeptouw.
Jan Kuijper ten slotte droeg zijn vertalingen in het Nederlands voor, van een viertal vroege sonnetten die Dèr Mouw in het Frans schreef, voor Van Vriesland. Ze getuigen volgens Kuijper – onuitgesproken maar toch – al helemaal van de Brahman-conceptie die in Adwaita’s oeuvre zo manifest is.
Kees ‘t Hart sloot af met de voordracht van het nagelaten gedicht over het ‘grijs konijntje’. In vervolg daarop kan worden vastgesteld dat het voor (her)ontdekking en waardering van Dèr Mouws gedichten nooit ‘te laat’ is – integendeel.
Dan denk ik aan ’t konijntje, dat ik zag
als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
van dure speelgoedwinkel. O! dat was
zo’n prachtig beestje, grijs en wit; het laggezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
en als ‘k van school kwam, bleef ik iedre dag
staan kijken, bang, dat ’t weg zou zijn. En, ach!
eens wás het weg; en toen begreep ik pas,dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik ’t zou krijgen. Thuis heb ‘k niet gepraat
over ’t konijntje, maar ‘k wou niet meer lopen,omdat ‘k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou ‘k me zo’n konijntje kunnen kopen,
Maar ‘k word zelf grijs. Want alles komt te laat.
Is het een idee om die tien gedichten (“de informele Brahman-Canon”) met een mooie inleiding erbij te laten uitgeven?
Leuk idee!
En nu wil ik weten natuurlijk uit welke gedichten die ‘Brahman-canon’ bestaat!
Dat zijn de gedichten die beginnen met de volgende regels:
– ‘T is nacht. ‘K zit op de hei. Nergens geluid.
– ‘T is laat al in de nacht. Doodstil is ’t huis.
– Mooi meisje, dat met koelwit bruidsgewaad
– Fel wou, niet mocht, niet kon, toch moest hij ’t uiten
– Hij ligt er nog, de steen: een jaar geleden
– Klein kindje heeft verdriet, maar moeder laat
– ‘k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.
– Als koel in ’t groen baden mijn brandende ogen,
– In schem’rig groen stukje van de oceaan
– Al wat ik dacht – geloofde je – was waar
Hier zijn natuurlijk wel mooie gedichten bij, maar mijn eigen favorieten ontbreken. Zo blijft er altijd iets te wensen over.