
Een handkus
Ik mag die slanke handen zoetjes streelen,
Als zwoele wind de blanke duiveveeren.
’t Zijn lelies, waar de schaduwen om spelen,
Gekruifde golfjes, die de meeuwen scheren.
Ik druk ze, en zal hun wederdruk niet weren,
Ik wil, ik wil ze kus op kus ontstelen.
Een warme handedruk zal ze niet deren,
En deerde ze al, een handkus zou ze heelen.
Gedoog, dat aan die sneeuw mijn wang zich koele,
En dat mijn lippen ’t warme dons beroeren,
En dat ik dan nog eens mijn straf gevoele!
Gij weet, die straf, toen ik mij liet vervoeren
En in het kussen uwer hand volhardde,
Toen gij met de andre door mijn lokken warde’.
Jacques Perk (1859-1881)
•• Abonnees van Laurens Jz Coster krijgen iedere werkdag een gedicht in hun mailbox
Binnen vier jaar al een herpublicatie van dit gedicht op dit platform, een gedicht waarvan Kloos en Vosmaer in hun uitgave van Perks enige (postume) bundel ‘Gedichten’ (1882) slechts de eerste drie regels opnamen, onder de titel ‘Blanke handen’ in de afdeling ‘Overige gedichten en fragmenten’. Later, toen Kloos wilde blijven teren op de roem van Perk en, niet meer gehinderd door de samenwerking met Vosmaer, zijn selectie van gedichten kon uitbreiden, nam hij de volledige versie van het gedicht alsnog op in Perks ‘Gedichten’ als ‘XVI Een handkus’ in Boek I van de Mathilde-cyclus.