Onbenoegen van mond en ogen
Ik mag nauw uw gelaat, die englentroon, belonken*,
Of mijn kuszieke mond brandt straks* van minnenijd;
Doch boet zij hare lust, aan de uwe vastgeklonken,
Zo barst mijn oog van spijt.
Ei min! opdat die twee eendrachtig wezen mogen
Gewaardigt voor uw slaaf dus wonderdaad te doen:
Laat als ik Lilla zie, ook lippen zijn, mijn ogen,
En elke straal* een zoen!
Johan de Brune, de Jonge (1616-1649)
* belonken = bekijken
* straks = meteen
* straal = blik
•• Abonnees van Laurens Jz Coster krijgen iedere werkdag een gedicht in hun mailbox
Laat een reactie achter