
Aan juffrouw Suzanna Bormans, ziek zijnde
O lenteroos, hoe zijn uw bladen
Dus* slap! Hoe hangt u ’t hoofd zo neer,
Dat korts*, met zilvren dauw beladen,
Kon strijken aller bloemen eer!
Waarom is schoonheid juist zo teer?
Waar is dat blozend rood geweken,
Dat aangename rozebloed,
’t Geen eedle zielen kon ontsteken,
Om uwe waarde, in minnegloed?
Waar vliegt dat heen met zulk een spoed?
Maar ’t geen zo haastig werd benomen,
Of ik bedrieg mij in mijn waan,
Kan ook zo haastig wederkomen.
De zon, hoe snel in ’t ondergaan,
Komt ’s morgens sneller opgestaan.
Ik zie alreeds u weder blozen,
‘k Zie al uw luister weergekeerd,
Terwijl gij boven alle rozen
Gelijk voorhenen triomfeert,
Daar elk opnieuw uw schoonheid eert.
Johannes Antonides van der Goes (1647-1684)
*Dus: zo
*Korts: kortgeleden
•• Abonnees van Laurens Jz Coster krijgen iedere werkdag een gedicht in hun mailbox
Laat een reactie achter