
Zal nimmermeer gebeuren*
Mij dan na deze stond
De vriendschap van uw ogen,
De wellust van uw mond?
De vriendschap van uw ogen,
De wellust van uw mond,
De gunste van uw hartje
Dat voor mij openstond.
Zo zal ik nochtans blijven
U eeuwig onderdaan;*
Maar mijn verstrooide zinnen*,
Wat zal hun anegaan?*
Mijn zinnen mogen zwerven
De leide* lange tijd,
Nu zij, mijn overschone,
Zijn hunnen leidster kwijt.
De schoon’ borst uit tot tranen,
’t En baatte geen bedwang;
De traantjes rolden neder
Van de een en de ander wang.
De schone traantjes deden
Meer dan een lachen doet:
Al in zijn hoogste lijden
Zij troostten zijn gemoed.
Vrouw Venus met haar sterre,
Thans klaarder dan de maan,
Bespiedde die vrijage
En zach ’t mirakel aan.
En hebben tere traantjes,
Zei zij, zo grote kracht,
Waarom en is het schreien
Niet in der goden macht?
De traantjes rolden neder,
Maar de godinne zoet:
Beid*, liever zou ik schenden,
Zei zij, mijn rozenhoed*.
En eer zij kon gedogen
Dat iemand die vertrad,
Ving zij de lauwe traantjes
In een koel rozeblad.
Wat geef ik om mijn rozen
Of ’t maaksel van mijn krans;
Ik zal gaan maken paarlen
Van ongemene glans.
De tranen werden paarlen,
Zo ras haar ’t woord ontging,
Die zij met goud doorboorde
En aan haar oren hing.
De blanke paarlen hielden
De krachten van ’t geween;
Zij doen nog in de hemel
Wat zij op aarde deên*.
Als Venus in de spiegel
Haar vindt* met dit sieraad,
Zij wenst geen toverriemen*
Noch kransen tot haar baat.
Pieter Cornelisz. Hooft (1581-1647)
gebeuren = te beurt vallen
on derdaan = onderdanig
verstrooide zinnen = verbijsterde gedachten
anegaan = overkomen
leide = verdrietige
beid = wacht
rozenhoed = krans van rozen
Wat zij op aarde deên: nl. het leed verzachten
haar vindt = zichzelf ziet
toverrriemen: Venus ‘gordel zou toverkracht bezitten
•• Abonnees van Laurens Jz Coster krijgen ieder werkdag gratis een gedicht in hun mailbox
Laat een reactie achter