
Er zijn maar weinig Nederlandse historici die zich gewaagd hebben aan het genre autobiografie. Ze zijn opgeleid om te schrijven over mensen uit het verleden. Ze doen dat met wetenschappelijke distantie, voegen bewijslast toe in voetnoten en hebben geleerd om nooit het woord ‘ik’ in hun boeken te gebruiken. Dat alles vormt een rem op autobiografisch schrijven. Desondanks schreven een aantal historici over hun leven, onder wie Johan Huizinga, Jacques Presser, Annie Romein-Verschoor en B.H. Slicher van Bath, aan wie de titel van dit boek is ontleend. Veel kenmerken van het genre, zoals het bescheidenheidstopos, (zelf-)censuur en een neiging tot verhulling en verfraaiing, vinden we terug in hun autobiografische teksten. Desondanks deze een belangrijke bron voor de geschiedenis van de Nederlandse geschiedschrijving. Dat geldt ook voor romans die in de academische wereld spelen. Jacques Presser schreef zo’n boek en een paar andere historici zijn herkenbaar in andere romans, onder wie Ger Harmsen, Hans Blom en Willem Frijhoff. Onder professoren van W.F. Hermans, De koekoek in de klok van Judicus Verstegens, Het Bureau van J.J. Voskuil en enkele andere Nederlandse ‘academic novels’ worden in IJdeltuiterij voor het eerst in hun onderlinge samenhang besproken.
Rudolf Dekker schreef in De Gids over de tocht van de Parijse vrouwen naar Versailles in 1789 (1978) en de fatale voet in de literatuur van de negentiende eeuw (1980). Later publiceerde hij over oproeren en werkstakingen in de tijd van de Republiek, de geschiedenis van de Nederlandse humor, het dagboek van Constantijn Huygens jr., de Hollandse jaren van Bernard Mandeville en andere onderwerpen.
Laat een reactie achter