
Op het omslag van het winternummer van de MedJCW is het Paleis op de Dam te zien. Op het plein ervoor lopen gewapende burgermannen, achter een tamboer en een fluitspeler. Voorop geeft de tamboer-maître de richting, het tempo en de maat aan. Vanaf de linker kant komen een paar kindsoldaten aanmarcheren.
Hoe schattig! Over kindsoldaten in Nederlandse vrijkorpsen gaat het artikel van Cor de Vries: ‘Veelbelovende Spruiten of kleyne Oproermakertjes. Het nieuwe militante opvoedingsideaal van de patriotten’.
Met Jac Fuchs betreden we het eerste decennium van de achttiende eeuw, de periode waarin Weyerman naar eigen zeggen meerdere keren in Engeland verbleef. In het artikel ‘Weyermans vroege jaren in Engeland (1702-1710)’ volgen we de overzeese belevenissen van Weyerman aan de hand van diens eigen uitspraken hierover. Hij blijkt zich meerdere malen tegen te spreken, het geheugen laat hem in de steek, maar dankzij het nodige speurwerk kunnen we inmiddels veel gegevens verifiëren.
Een bekend achttiende-eeuws tijdschrift is De Philantrope, waarvan steeds onduidelijk was welke auteurs welke bijdragen leverden. Ton Jongenelen laat zien in zijn ‘De Philanthrope (1756-1762). Een onderzoek naar de schrijvers’ dat de wordingsgeschiedenis van deze spectator zich laat lezen als een schelmenroman, waarin – bijvoorbeeld – de nog jonge Elisabeth Bekker, aka Betje Wolff, zich laat kennen als een verliefde dichteres-in-de-dop.
Dirk Alkemade en Suzanna den Ouden schreven ‘Dit verklaar ik op mijne burgertrouw!’. De strijd rond de politieke eed in de Bataafse Republiek. De politieke eed is een nog niet eerder bestudeerd aspect van de ontstaansgeschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden. Tegenwoordig leggen Kamerleden een eed of belofte af bij de ambtsaanvaarding, waarbij zij onder meer trouw zweren of beloven aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt. Maar hoe luidde die eed in de Bataafse Republiek? Of eerder, tijdens het stadhouderlijk bewind? Het kostte menigeen grote moeite om de standaardformule uit te spreken.
Iedereen kent ze nog, de muziektent in het midden van vele stadsparken. Nu eens een idyllisch gebouwtje, dan weer een overdekt podium waar muziekensembles optredens verzorgden. Wat we niet meer kennen, zijn de tuintheaters waar in de vroegmoderne tijd gasten van riante buitenverblijven toneelvoorstellingen konden bijwonen. Anna de Haas deed onderzoek naar ‘Tuintheaters in de achttiende eeuw’. Haar conclusie is dat ze niet alleen uit ons geheugen zijn verdwenen, maar ook dat er nauwelijks afbeeldingen van bestaan. Niettemin heeft ze toch een aantal illustraties van tuintheaters opgespoord.
En verder in deze aflevering? John Besseling schreef een recensie van Dirk Alkemade, Radicale democratie. Pieter Vreede (1750-1837) en de Nederlandse revolutie (Amsterdam, Boom 2025), en Fleur Speet schreef een recensie van Arianne Baggerman, De storm die wij vooruitgang noemen. Tijd, tempoversnelling en de transformatie van Nederland in egodocumenten 1750-2000 (Amsterdam, Panchaud 2025). Met de rubriek Verschenen door Rindert Jagersma wordt deze rijk gevulde, afwisselende aflevering afgesloten.
Voor abonnementen en het bestellen van losse afleveringen kunt u een e-mail sturen naar de secretaris van de stichting. Kosten van dit nummer: € 15 (incl. verzendkosten). Zie verder de pagina Contact.
Laat een reactie achter