
Ik woon sinds twee weken samen. Een uitvoerige uiteenzetting van de strubbelingen die hiermee gepaard gaan, zal ik jullie besparen; maar weet wel dat ik nooit meer een kwast in mijn hand zal nemen. Nadat de verf op de muren eindelijk was opgedroogd, de meubels op de juiste plek waren geschoven en de boeken in de kast waren gezet, kon ik gaan genieten van iets wat ik nooit eerder in mijn bezit had: een televisie.
Jarenlang heb ik op dit moment gewacht. De televisie zou mijn toegang zijn tot het rijk van volwassenheid en gedenkwaardige avondjes. Nachtenlang droomde ik over hangen, zappen en het verbreden van mijn wereldbeeld. Kijken naar intellectuele programma’s zou mijn primaire bezigheid worden. Ik stelde mij voor dat ik elke vrijdagavond klaar zou zitten voor het hoogtepunt van de week: een nog altijd schitterende Astrid Joosten in het onsterfelijke 2 voor 12. Ik nam mij voor om vrienden uit te nodigen, thuis op de bank gezamenlijk mee te doen, om dan na afloop te kijken wie de meeste antwoorden goed had.
Ook zouden we samen kijken naar literaire programma’s waarin urenlang gediscussieerd werd over echte literatuur, namen als Nescio, Frida Vogels en Frans Kellendonk zouden voorbijkomen. Op een gegeven moment zou ik een lekkere dure fles rode wijn ontkurken, speciaal bewaard voor dit moment. Een mooie avond zou het worden – zoals alleen de Franse existentialisten die kenden, in hun rokerige hoekjes in overvolle cafés – met het gemompel van de beeldbuis voortdurend op de achtergrond.
De realiteit had echter iets anders voor mij in petto. Astrid Joosten komt pas vrijdag 13 februari weer op televisie en verder bestaan er blijkbaar helemaal geen programma’s met enig intellectueel elan. Laat staan (hoogwaardige) literaire tv-programma’s. Nu zit ik dagenlang te kijken naar programma’s à la Pawn Stars en Undercover Boss – die, zo blijkt, altijd op televisie zijn. Mijn beoogde avondjes, mijn intellectuele ontwikkeling: ik kon het maar beter vergeten. Mijn droom was vervlogen. Durfde ik mijn intelligente vriendenkring nog wel uit te nodigen?
Op een avond waag ik, als laatste redmiddel, de sprong in het ongewisse: ik zap voorbij de veilige zenders. En in navolging van Abel Tasman en Willem Barentsz beland ik in een nieuwe wereld, een heus literair toevluchtsoord. Vanaf zender 501 betreed ik de toegangspoort tot de lokale omroepen, enigszins verstopt bieden ze precies datgene waar ik al die tijd van heb gedroomd: tal van redenen voor intellectuele bijeenkomsten.
Omrop Fryslân zendt namelijk de hele dag vier hedendaagse Jean-Paul Sartres uit – vier Friezen (de Nijsmakkers) bespreken in het Fries, zonder ondertiteling, de grote vragen des levens; zoals welke muziek je op je begrafenis zou willen hebben. Op 1 Salto worden verhalen verteld over de oudste boksschool van Amsterdam, in de Jordaan uiteraard, die qua stijl en tempo met het beste werk van Nescio te vergelijken zijn. Als tussendoortje kijk ik ook even naar Berkel en Rodenrijs, ik weet niet waar het over gaat, het geluid staat immers enorm zacht – net onze podcast bij tijd en wijle. Omroep PIM neemt de kijker mee naar het stille platteland van Gerbrand Bakker. En op RN7 komt de geschetste omgeving van Frans Kellendonks Mystiek lichaam tot leven: een treurig Nijmegen.
Vanaf nu kan mijn droom werkelijkheid worden. De uitnodigingsappjes staan al klaar. Avondenlang kunnen we gaan keuvelen over belangrijke zaken. Misschien maken we het zo bont dat we de televisie uitschakelen en op eigen houtje verdergaan.
Dit stukje verscheen eerder op De twintigers.
Laat een reactie achter