
In de zomer van 1984 verschijnen er onverklaarbare vlekken op het lichaam van het hoofdpersonage uit de nieuwe roman van Elly Biesters, De schaamte van Lea. Als Lea’s oog op een personeelsadvertentie in de krant valt, besluit ze wat ze na haar eindexamens gaat doen: de opleiding tot psychiatrisch verpleegkundige te volgen. Zo moeilijk kan dit werk niet zijn, denkt ze, en Biesters neemt de lezer mee in Lea’s stage in paviljoen de Mezenburcht.
Het lijkt of Lea’s leven haar overkomt. Zo ontmoet ze haar aanstaande huisgenoot en vriend Simon bij de bushalte, die haar direct een kamer aanbiedt. Vanzelf krijgen ze een relatie en later in het verhaal stelt Simon voor om samen te wonen in zijn kamer. Gezellig, denkt Lea, het bespaart kosten en bovenal heeft Simon een tv.
Ook de ongrijpbare jeukende plekken op haar lichaam overvallen haar. Deze vlekken houden Lea constant bezig, ze benoemt ze regelmatig, maar we krijgen geen duidelijk beeld van haar lichaam. Dat Lea haar vlekken angstvallig verborgen houdt, ook voor Simon, is al snel een vanzelfsprekend gegeven in plaats van een uitgangspunt dat fascineert.
Wanneer Lea met haar vlekken naar de dokter gaat, krijgt ze een zalfje en het advies om naar de Dode Zee te gaan om het zout zijn werk te laten doen. Sparen voor een reis naar de Dode Zee is haar nieuwe levensdoel, iets wat ze als een fata morgana voor ogen houdt. Met de vlekken thematiseert Biesters het lichaam, schaamte en ongemak. Ook bij de lichamen van de bewoners in de psychiatrische instelling ervaart Lea constant ongemak: er zit sperma aan een hand die ze schudt, ze moet een thermometer tussen de billen van een bewoner stoppen en iemand wil dat Lea een megapuist uitknijpt. Alleen in dat laatste geval, tegen het einde van het verhaal, lukt het Lea duidelijk om ‘nee’ te zeggen.
Het overgrote deel van het boek brengt Lea’s passieve karakter haar niet veel verder dan op reis langs een hoop anekdotes. Ze wil van alles, maar het lukt niet en dat zelfinzicht heeft ze bij vlagen. De hoop dat Lea ontwikkelt is niet genoeg om het verhaal voort te stuwen en ook aan alle elementen om haar heen wordt te snel voorbij gegaan en zo verliest de roman focus. Andere personages, zoals Simon en Jenny, verschijnen te pas en te onpas ten tonele, maar wie zijn ze precies?
Lea zelf is een antiheld in haar coming of age-jaren:
Ik had het me allemaal heel anders voorgesteld. Toen ik nog thuis woonde, zag ik mezelf als min of meer gevangen in een kooi, wachtend tot ik zou worden bevrijd en het echte leven zou beginnen. Maar het valt tot nu toe vies tegen. Iedereen doet raar.
Ze kan niet koken en heeft geen geld, dus met Simon dineert ze met borrelnootjes waarvoor hij de dipsaus maakt. Lea is bang om haar mening te geven: ‘Héb jij eigenlijk wel een mening?’ wordt haar op een gegeven moment gevraagd en die vraag is tekenend voor haar karakter.
De stijl van Biesters in De schaamte van Lea is vaak vertellend: ‘Eigenlijk vind ik Simon heel erg leuk’ en ‘Ik maak er een puinhoop van’ – het grote deel van de psychologische ontwikkeling die plaatsvindt wordt op een briefje wordt gegeven. Bovendien wordt het boek gaandeweg steeds meer anekdotisch. Dat kan de sterkte van het boek zijn: het is tragikomisch dat er zo veel mislukt en dat Lea dat zelfinzicht ook heeft. Maar nergens schuurt het verhaal echt en zo is De schaamte van Lea een te vrijblijvend verhaal dat, in tegenstelling tot Lea’s vlekken, niet lang bijblijft.
Laat een reactie achter