
Wijdverbreid zijn ze niet in de Nederlandse literatuur, boeken waarin ouders moeten omgaan met kinderen die zich letterlijk tot moordenaar ontpoppen. Bekend is natuurlijk de in brand gestoken dakloze in de bestseller en inmiddels ook leeslijst-evergreen Het diner (2009) van Herman Koch, en ruim tien jaar geleden was er de novelle Gaz: pleidooi van een gedoemde moeder (2015), waarin Tom Lanoye het woord geeft aan de moeder van een gedode terrorist. Sinds 2025 is er ook Beesten die je niet mag schieten van Femke Brockhus, waarin de getalenteerde auteur van Laat het stil zijn (2017) en Kleine haperende vluchten (2022) hoofdzakelijk focaliseert vanuit Molly, die is gemodelleerd naar Sue Klebold in haar memoir A Mother’s Reckoning: Living in the Aftermath of Tragedy. Voor degenen bij wie dat niet direct een belletje doet rinkelen: Sue is de moeder van Dylan Bennet Klebold, een van de twee tieners die op 20 april 1999 een bloedbad aanrichtten op Columbine High School in Colorado.
Iets opmerkelijks heeft het wel, een Nederlandse roman die een Amerikaanse high school shooting als uitgangspunt neemt en zich daarbij baseert op autofictioneel materiaal. In de periodieke leeskring van stafleden van de opleiding Nederlands in Nijmegen stelde iemand de vraag waarom je Brockhus zou lezen en niet gewoon Sue Klebold. En of het nodig zou zijn om beide boeken naast elkaar te lezen voor een optimale ervaring. En ook: of het niet interessanter was geweest als het boek was gegaan over het uiteindelijk niet-fatale, maar nog altijd zeer gewelddadige schietincident op ROC De Leijgraaf in Veghel (7 december 1999) of de moord op Hans van Wieren, de conrector van het Haagse Terra College die op 13 januari 2004 door een leerling werd doodgeschoten. Wat voor literatuur zou het opleveren wanneer zulke zeldzame Nederlandse gebeurtenissen centraal stonden; hoe zouden de moeders van Ali D. en Murat D. hebben gereageerd?
Zo’n wat als-vraag leidt echter al snel weg van de literaire tekst die Brockhus ons heeft voorgelegd, en bovendien zou ze waarschijnlijk precies dezelfde vragen hebben gesteld. Bijvoorbeeld: wat betekent het om te rouwen om je kind als het gemoord heeft? Hoe leef je verder in de wetenschap dat je kind een ‘dader’ is? Wat betekent ouderschap – en in dit geval vooral: moederschap – als de buitenwereld je kind als een monster ziet? Welke signalen heb je gemist of genegeerd, als die er al waren? Hoe hangt dat samen met de vraag wie verantwoordelijk is voor dit soort gruwelijke daden? Hoe reconstrueer je de gebeurtenissen, inclusief je eigen aandeel daarin, achteraf?
Pasklare antwoorden op zulke vragen geeft Beesten die je niet mag schieten nier. In plaats daarvan rijgt Brockhus korte, soms geïsoleerde en soms uitdrukkelijk onderling verbonden fragmenten aaneen die samen een fragmentarisch beeld geven van een gebroken moeder. De referenties aan de klassiekers in het genre zijn daarbij nauwelijks te missen: ‘We moeten het over Nicholas hebben, zei Molly plompverloren’ – een onverholen verwijzing naar Lionel Shrivers We need to talk about Kevin (2003). De actie schuilt in deze roman niet zozeer in het bloedbad, maar in het aftasten van het talige web waarin we geweld, trauma en schuld kunnen vangen.
Of dat de huidige Librisjury overtuigt, durf ik niet te stellen. De (soms poëtische) afstandelijkheid van de roman en haar vele fragmentarische stiltes zorgen ervoor dat het moeilijk wordt je waarlijk met Molly te identificeren, en dat heeft weer tot gevolg dat je haar verhaal vrij snel weer vergeet. Toch bleef Brockhus’ boek bij mij persoonlijk tamelijk lang resoneren, vanwege de zeer specifieke context waarin ik het las: in de VS onder Donald Trump, in maart 2025. In de openbare bibliotheek van Los Angeles sprak ik met een man die bleef herhalen dat het ‘vast goedkwam, snel goedkwam, het kwam de vorige keer ook goed.’ Hij glimlachte boven zijn archiefmateriaal, trillende vingers tegen het papier, ‘het komt vast goed.’ Diezelfde dag las ik bij Brockhus (mijn krabbel ‘man bieb!’ in de marge herinnert eraan):
Er groeien gaten in mensen die je van buitenaf niet kan zien. Dieptes waar hun woorden omheen buigen.
En nu ik dat noteer, resoneert ook een andere zin die ik onderstreepte in Brockhus’ web:
Soms komen er stukjes naar boven, dode vissen die na verloop van tijd naar het wateroppervlak komen.
Beesten die je niet mag schieten, Femke Brockhus. De Bezige Bij
Laat een reactie achter