
Hendrik Groen leerde ik kennen door een leerling. Die had in een leermethode Nederlands een fragment van Pogingen iets van het leven te maken gevonden en achterin de klas zitten grinniken. Altijd een goed teken.
“Mag dit boek op mijn lijst?” Zeker, jongen. Lezen, lezen, lezen, maar! Dat juist een ogenschijnlijk oudere heer deze ruimschoots met-ADHD-toegeruste-leerling aan het lezen kreeg, vond ik een leuke bijkomstigheid. The twain do sometimes meet!
Dit was jaren terug. Nu lees ik De slag om rust en vreugd en het gegrinnik is ver te zoeken. Het recept is vergelijkbaar met dat van de verzorgingstehuis-dagboeken van Hendrik Groen. Men neme een besloten gemeenschap waarin het getutterdetut – van bewoners en akelig ambtelijke bestuurders – tussen de wanden heen en weer stuitert en men beschrijve dit op droog-komische wijze.
In volkstuincomplex Rust en Vreugd zijn weinig wanden: de dynamiek tussen bewoners, bestuurders en vertegenwoordigers van de gemeente krijgt voornamelijk ruimte in het keurig bijgehouden groen. En misschien is het daarom dat de pregnantie van de observaties tegenvalt. Te weinig frictie.
Herkenbaar is de dynamiek wél, en ook de problematiek. Als ‘trotse bezitter’ van een huisje bij een volkstuinvereniging is niets van het beschrevene mij vreemd.
De dominante voorzitter, de tuincommissie, de kantine (al dan niet verhuren aan buitenstaanders?) het ‘homosensuele’ echtpaar (zoals een oudere dame op het complex ze noemde) waar sommigen even aan moesten wennen maar die vrij snel bestuursfuncties vervulden en die het mooist verzorgde huisje van het complex hadden, de klachten over takken die over de heg groeien, het eindeloos geborrel van sommige tuinders en het kluizenaarsgezicht van anderen. De dame met het hondje in de fietsmand, de oudere heer die dood tussen de fuchsia’s aangetroffen wordt (bij ons een dove man die de waarschuwingen niet hoorde toen hij zich pijnlijk cartoonesk aan de verkeerde kant van de af te zagen boomtak bleek te hebben vastgeklonken)…
De beschrijvingen klinken dusdanig bekend dat ik zelfs even probeerde uit te vinden of Peter de Smet misschien bij mij in de buurt woont? Was hij wellicht de onbekende man die een jaar geleden over ons terrein rondsloop en over wie de tuin-app explodeerde?
Rust en Vreugd moet gedeeltelijk wijken voor een parkeerplaats, aan te leggen bij een hockeyclub die verplaatst zal worden vanwege woningbouw.
Vrijwel naar de letter de netelige positie waarin ‘mijn’ volkstuinvereniging zich bevindt. In ons geval moet niet een strook van het terrein maar het héle terrein binnen enkele jaren op de schop. Om de ‘buitenervaring’ van de bewoners van de nieuw te bouwen woningen te waarborgen zal de hockeyclub naast ons -met haar velden van kunstgras- oploeven naar de plaats waar nu onze tuintjes zich bevinden.
Een gesprek daarover in onze kantine met een ambtenaar gestuurd om de gemoederen te betijen, woonde ik bij. Hoewel ik me meestal aan de kluizenaarskant van het tuinhuisbewoners-spectrum bevind, voelde ik me nu geroepen. Misschien moest ik als relatief jonge bewoner mijn zegje doen? Me ook in een groen ‘Red onze Tuin’ T-shirt hullen en bereid zijn te spreken waar oudere bewoners dat wellicht lastig zouden vinden?
Die zorg bleek ongegrond. Per rollator schuifelde men naar het spreekgestoelte om op emotionele -mijn vader tuinierde hier al!- en niet mis te verstane wijze -rot op naar het stadhuis, achterlijke gladiool- van ongenoegen te getuigen.
Ook in de kantine van Rust en Vreugd lopen de gemoederen hoog op:
Bent u alleen gekomen om dit kutverhaal op te hangen? Rot dan maar weer op!’ riep een mevrouw in een roze tuinpak.
De oplossing die de bewoners van Rust en Vreugd uiteindelijk bedenken (spoiler-alert!) is dezelfde die wij bedachten. Maar waar Hendrik Groen dit wel tot een triomfantelijk succes schrijft, komen bij mij – as we speak – de verontwaardigde berichten binnen in de tuin-app. De stadsecoloog heeft onze observaties van bedreigde diersoorten op het terrein van tafel geveegd. ‘De provincie verleent vergunning voor de vernietiging van het leefgebied van de steenmarter ivm bouwplannen’…
Toen ik 20 jaar geleden mijn tuinhuisje kocht, leerde ik al snel: je krijgt niet alleen een ‘stukje natuur in de stad’. Je krijgt er cultuur bij: bestuurscultuur, clipboard-cultuur (ernstig kijkend langs de tuinen drentelen en aantekenen bij wie er nog brandnetels onder de heg staan). En gemeentecultuur -azend op díe kleine stukjes grond in een stad waar een wethouder nog wat ambitie op los kan laten.
De overeenkomsten tussen Rust en Vreugd en ‘mijn’ volkstuinvereniging zullen vast wél toeval zijn. Dat wil zeggen: Peter de Smet zal niet noodzakelijkerwijs over óns terrein geslopen hebben. Hetgeen hij beschrijft, is veeleer kenmerkend voor Nederlands bestuur, het grotere en het kleine.
Herkenbaar dus.
Maar hoe herkenbaar ook, tegen de wanden van verzorgingstehuis Oudewater ketsten de observaties van Hendrik Groen puntiger af. Bij Rust en Vreugd kabbelen de gebeurtenissen en de conversaties toch een beetje ‘ins grüne hinein’… En dat is jammer.
Laat een reactie achter