
Hoeveel onwaarschijnlijke gebeurtenissen kan een lezer aan? Kent slapstick andere normen dan literatuur? Of is dit niet meer belangrijk als alle normen ondersteboven worden gekeerd? Is het een verdienste van dit boek dat het deze vragen oproept?
Dit boek is Watermeloenman van Henk van Straten. Een boek dat draait om twee hoofdpersonen: brave boswachter Nico en onhandige boef Mohammed (Mo).
Het verhaal komt op gang door Nico’s vondst van een watermeloen met daarin drie pakketjes drugs en een revolver. Hij gaat niet naar de politie, maar neemt deze buit mee naar huis. Dat geeft problemen, dat geeft mogelijkheden en daar is deze roman op gebouwd. De plot kronkelt en verrast. Geloofwaardigheid is niet het hoogste doel van Van Straten en dat levert een levendig boek op.
De beide hoofdpersonen, Nico en Mo, hebben een totaal verschillende achtergrond; de overeenkomst is echter dat het leven hen allebei overkomt. Nico’s bos verandert door klimaatverandering, invasieve exoten en de komst van de wolf. Mo hoopte een succesvolle bokser te worden, maar worstelt met de verwachtingen van zijn familie en legt het steeds af tegen zijn succesvolle zus. Nico’s herinnering aan een liefdesleven was vervaagd, maar hij blijkt plots een twaalfjarige zoon te hebben die direct in huis komt te wonen. Mo schiet per ongeluk zijn partner in crime dood als ze de watermeloen met de drugs erin willen ophalen. Beiden hebben amper grip op hun leven. Pas als ze gaan samenwerken, ontstaat er iets van een richting. Ondertussen beleven ze doldwaze avonturen met Moniek, een kordate vrouw met een praktisch kapsel en een gekleurde bril, Schele Ted, een ‘crime boss’ in een woonwagen en zijn meedogenloze beeldschone dochter Angeline. Een centrale rol is weggelegd voor Cabading, de twaalfjarige zoon van Nico, de vrucht van een tragische poging van Nico om via een bemiddelaar liefdesgeluk te vinden met de Filipijnse Joycielyn. Zij verlaat hem alweer kort na aankomst in Nederland, na net genoeg tijd te hebben gehad voor een huwelijk en wat ‘ongeduldige en kribbige’ seks.
De wervelende gebeurtenissen worden verteld in een schrijfstijl die past bij Nico en Mo. Zo is Nico bedachtzaam en twijfelachtig:
Hij had haast. Dacht hij. Toch? Ja, natuurlijk had hij haast! Hij had genoeg films gezien. Het was nooit zo dat er maar één iemand naar zulke pakketjes op zoek was. Haast dus. Absoluut.
Als Mohammed oog in oog staat met een wolf laat ook hij een karakteristiek taalgebruik horen:
Kifesh! Waarom kankerde dit beest niet op? […] Moest hij wegrennen? Nee, dat wist hij van tv, dat moest je niet doen, dan kwamen ze achter je aan. Tering. Dit was National Geographic-shit. David Attenborough-shit.
Net als je denkt dat je Van Straten wel door hebt, dat de personages en de gebeurtenissen voorspelbaar in hun onvoorspelbaarheid worden, verrast hij. Zo blijkt Schele Ted, godfather met een gemene fred als huisdier, meedogenloos handelaar in telefoonhoesjes, plotseling een woke gutmensch:
‘Het is een racistisch stereotype,’ zei Ted. […] ‘Euh…’ zei Mo. ‘Wat?’ ‘Dat zwarte mensen van watermeloenen houden. In dezelfde adem wordt ook gefrituurde kip vaak genoemd. Dat zijn racistische stereotypes.’
Niet alle verhaallijnen krijgen een bevredigend einde, niet ieder personage heeft een diepgravende psychologie, niet elk detail draagt bij aan het plot. Toch kan dit boek bekoren, juist vanwege de chaos. Van Straten zet de lezer graag op het verkeerde been en trapt dat been lachend onder je vandaan.
Laat een reactie achter