
Zestien jaar geleden – we studeerden nog – gingen mijn lief en ik op vakantie in Turkije. All inclusive naar Manavgat, in de buurt van Antalya. Eens maar nooit meer, hoop ik – maar dat terzijde.
Onder het bedienend personeel tijdens het buffet bevond zich een man van middelbare leeftijd met een gehavend gezicht. Hij liep voortdurend in het kielzog van een andere medewerker, met als belangrijkste taak om lege borden op te halen. Toen hij dat bij onze tafel deed, viel al snel op dat hij een grote ronde badge op zijn uniform droeg met daarop het woord ‘Trainee’. Het vervulde ons van ongemak, medelijden, een vreemd soort schuldgevoel dat deze man zo zichtbaar opgeleid werd in het weghalen van ons bestek dat hij ongetwijfeld ook in servetten had moeten wikkelen. Misschien probeerden we dat wel af te kopen toen we hem op de laatste avond van de vakantie onze resterende lira’s schonken als fooi. Hij nam het geld wat onwennig in ontvangst, wenste ons een fijne avond. Toen we de eetzaal verlieten en omkeken, zagen we hem de biljetten triomfantelijk in de lucht steken richting de collega achter wie we hem twee weken met borden hadden zien sjouwen.
Wie geeft zulke trainees een stem in de literatuur? Eerlijk gezegd ken ik ze maar nauwelijks; ze zijn er hoogstens bij benadering. In de Nederlandse letteren schiet me Nordip uit Khalid Boudous Het Schnitzelparadijs (2001) te binnen. En ik denk ook aan andere memorabele personages die een beroep uitoefenen waarvan het maatschappelijk aanzien relatief gering is – de thuisverzorgende Bonne in Anton Valens’ Meester in de hygiëne (2004), de arbeiders in de vleesindustrie in Marie Kessels’ Levenshonger (2021), de schoonmaakster die als bron van verhalen fungeert in Vonne van der Meers Eilandgasten (1999).
Geen van allen droegen zij echter een ‘Trainee’-achtig bordje dat hun hiërarchische positie zo meedogenloos blootlegde. Hoe anders is dat in Overgave op commando van Nadia de Vries, een van de interessantste nieuwe stemmen in de Nederlandstalige literatuur. Met sardonisch genoegen én ruimhartig mededogen schetst zij het leven van de jonge vrouw Schelvis, geboren onder de rook van een vervuilende fabriek in de provincie (Tata Steel alert) en haar weg zoekend in de moderne grootstad. In de kustplaats (Velsen alert) waar Schelvis opgroeit – als dochter van een alleenstaande orderpicker die zich vaker openstelt voor kortstondige affaires dan voor haar dochter – is werken in de fabriek de vanzelfsprekende bestemming voor een groot deel van de jongeren. Tegen die achtergrond is ‘Schelvis’ onvermijdelijk te interpreteren als een speaking name: een wezen dat op de bodem leeft en in culinair opzicht vooral verbonden is met fish ’n chips – het Britse volksvoedsel dat met schelvis goedkoper aan de mens gebracht kan worden dan met kabeljauw. Wie Schelvis heet en uit een naar rook stinkende kustplaats komt, is in sociaal-economische zin kortom opzichtig aan de onderkant van de samenleving gepositioneerd.
De Vries’ sardonische kant toont zich in de talloze confrontaties die haar held moet doormaken op grond van die sociale positie. In haar puberjaren is ze verliefd op Jeremy, een van de leidersfiguren in haar vriendengroep. Hij heeft zijn broer verloren bij een ongeluk, waarvoor hij diens vriend Pim – die de auto tijdens een noodlottige joyride bestuurde – verantwoordelijk houdt. In De Vries’ romanuniversum wordt die schuldkwestie vergolden met wat Slavoj Žižek subjectief geweld zou noemen: daadwerkelijk aanwijsbaar geweld, in dit concrete geval in de vorm van een ontvoering waarbij Jeremy en zijn vrienden Pim vastbinden en mishandelen. Als Schelvis daarin de overhand neemt, keert Jeremy’s geweld zich echter tegen haar. Hij zegt haar: ‘[J]ij, Schelvis, jij hebt nog nooit iets verloren. Jij hebt geen enkele reden om zo bitter en kwaadaardig te zijn. We nemen afstand van je, Duncan, Celine en ik.’ Haar voormalige vrienden kijken vervolgens toe hoe Schelvis door Pim met een hamer bewerkt wordt, waarna Celine het resultaat fotografeert.
De Vries tekent dit op zonder moraliserende verteller die het geweld veroordeelt, maar het uitsluitingsmechanisme in Jeremy’s woorden liegt er niet om: Schelvis wordt gezien als meisje zonder ‘reden’ voor geweld, als iemand die in de context van de vriendengroep geprivilegieerd is. Waar Jeremy alle reden voor bitterheid zou hebben, en dus legitiem zijn woede zou mogen botvieren, is dat ‘recht’ niet aan Schelvis voorgehouden. Het is die hiërarchie binnen de door De Vries beschreven klasse die het fysieke geweld in dit geval verbindt met Žižeks concept systemisch geweld. De sociale uitsluiting waaraan Schelvis hier wordt blootgesteld, is nauwelijks los te zien van de onzichtbare druk die klasse, trauma en gebrek aan perspectief met zich meebrengen – van het systeem, kortom, dat bepaalt op welke manier we woede dragen en tot uiting laten komen.
Als Schelvis met verbouwd gezicht naar de grote stad trekt, gaat ze dan ook slechts schijnbaar haar vrijheid tegemoet. ‘Ik ben dakloos, ik ben behoeftig, help mij alstublieft aan een huis’, schrijft ze op een vraag-en-aanbodkaartje in de supermarkt van ‘een ongewild deel van de stad’ (daar is het weer, De Vries’ sardonische schrijfgenoegen). Vanaf dat moment zien we Schelvis langs tijdelijke werk- en woonrelaties bewegen, nooit echt thuis, nooit in staat zich waarlijk los te weken van de status waarin zij gesocialiseerd is – en uiteindelijk gedoemd om terug naar dat godvergeten dorp te gaan. Wat dat betreft is Overgave op commando een haast deterministische roman in de naturalistische traditie, met dien verstande dat De Vries met zoveel spottende superioriteit schrijft dat je moeilijk kunt stellen dat haar vertelstem zich ergens in de coulissen bevindt. Haar mededogen schuilt erin dat ze Schelvis, ondanks de moreel verwerpelijke dingen die ze soms doet, nog altijd laat verbleken naast de uitwassen van het systeem dat haar tot derderangsburger maakt.
De meest memorabele vertegenwoordiging van dat systeem was voor mij een rijke man die met zijn hond op het terras komt zitten waar Schelvis in de bediening werkt. Haar baas, Sophie, sist haar toe dat het om ‘een heel belangrijke klant’ gaat – ‘eigenaar van een groot mediabedrijf’. Als Schelvis hem de ‘zeer luxueuze’ wijn serveert die hij besteld heeft, blaft de hond en morst Schelvis uit schrik de wijn over het dier heen. Sophie spoedt zich naar het incident en vraagt de man of ze iets voor hem kan betekenen – ‘zo nederig, zo inschikkelijk, dat ik meteen zag dat ze alles zou doen wat hij vroeg.’ En dan komt het: ‘Ik wil dat Trainee de vlek uit mijn hond boent.’ Schelvis, gereduceerd tot de net-niet-functietitel op haar naambordje. Schelvis, zelfs in loondienst op de bodem spartelend. Schelvis, standbeeld voor systemisch geweld.
Het zou me niet verbazen als menig Turkse trainee in Manavgat daadwerkelijk met een spons door de vacht van de hond gegaan was. Maar niet Schelvis: zij spuugt op de schoenen van de man en werpt de gele schoonmaakdoek naar hem toe. Dan rent ze weg, trekt het speldje met ‘Trainee’ van haar borst en gooit het in een recyclebak (wat heel bewust klinkt, maar ook onderstreept dat er nog veel nieuwe trainees om uit te buiten zullen volgen). ‘Ik was vrij, ik was vrij!’ juicht de ik-verteller.
Natuurlijk blijkt het een leugen – maar ze koestert de illusie, zelfs zonder fooi.
Laat een reactie achter