
Op 27 januari 2026 is Jan (Marie Louis) Schoolmeesters (Merksem, 29 november 1951) in Turnhout overleden. Ik wil hem hier gedenken als een scherpzinnig lezer en een bijzondere vakgenoot.
Na zijn afstuderen in 1973 werd Schoolmeesters assistent van de roemruchte Leuvense hoogleraar Marcel Janssens (1932-2013). Zijn wetenschappelijk debuut was het opmerkelijke artikel ‘Titel en tekst. Aspecten van een theorie van de literaire titel’, verschenen in Spiegel der Letteren tien jaar voordat Gérard Genette (Seuils, 1987)furore zou maken met het begrip paratekst. Schoolmeesters’ Leuvense jaren leidden uiteindelijk niet tot een proefschrift of een conventionele academische loopbaan. In 1980 werd hij bibliothecaris aan de Tilburgse universiteit. Daar leerde hij de Nederlandse vergadercultuur kennen (‘Een puntje van orde, voorzitter!’), werkte hij mee aan het catalogeren van de Dickens-collectie van Godfried Bomans en stond hij in voor een Alfabetische catalogus van de bibliotheek van Gerard Knuvelder. Tegelijk bleef hij op gezette tijden publiceren over Nederlandse literatuur. ‘Eigenlijk ben ik in mijn Tilburgse periode in beperkte mate blijven schrijven omdat ik haast nooit aan “voorstellen” kon weerstaan’, schreef hij me eens daarover.
De publicaties van Jan Schoolmeesters getuigen van een grote vertrouwdheid met (voornamelijk Franse) literatuurtheorie, van een bewonderenswaardig vermogen tot zorgvuldig analyseren en creatief interpreteren, en van een meer dan gewone belangstelling voor bibliografie en boekverzorging. Ze tonen ook hoe veelzijdig zijn persoonlijke canon was. Hij was een groot kenner en verzamelaar van Jos de Haes, aan wiens poëzie hij vele artikelen wijdde en van wie hij in eigen beheer een secundaire bibliografie uitbracht. Ook over de gedichten van Jan van Nijlen schreef hij herhaaldelijk en met groot inzicht. Daarnaast kwamen de meest uiteenlopende auteurs aan bod: van Gezelle en Streuvels tot Pernath en Hamelink (het onderwerp van zijn licentiaatsverhandeling). Een deel van al dat werk is te vinden in de DBNL. (In de geest van Schoolmeesters merk ik op dat twee daar vermelde stukjes vermoedelijk aan een naamgenoot zijn toe te schrijven, en dat een vollediger – maar niet exhaustief – overzicht te vinden is in de BNTL.)
Nergens ‘trauma’. Goed.
In het najaar van 2006 heb ik Schoolmeesters voor het eerst ontmoet. Mijn promotor stelde me aan hem voor, met de mededeling dat Jan vast prijs zou stellen op een exemplaar van mijn nog ongepubliceerde proefschrift. Even later landden in mijn mailbox twee pagina’s commentaar, even fragmentarisch als lucide: ‘Slechts tweemaal de term “representatie” aangetroffen! En nergens “trauma”. Goed.‘ Schoolmeesters spaarde zijn kritiek overigens niet. ‘Een hele moeilijke: valt niet te vaak de term “ironisch” en wordt zo niet heel veel op één hoop gegooid?’ Naast de literatuurwetenschapper kwam ook de bibliothecaris aan het woord: ‘Nu wat beroepsmisvorming. In een literatuurlijst mis ik node de uitgever. Helpt om niet bekende publicaties in te schatten.’
Sindsdien hadden wij, met soms lange tussenpozen, contact over literatuur. Hij was een scherpe meelezer die zijn kennis en zijn boekenbezit gul deelde, een boeiende gesprekspartner en een gewaardeerde medewerker aan tijdschriftrubrieken en verzamelbundels. Zelfs van op het eerste gezicht ondankbare onderwerpen wist hij altijd wat te maken door zijn onderzoekende blik en zijn eigen stijl. Dat gold bijvoorbeeld voor een wat middelmatige tekst van Karel Jonckheere die hij becommentarieerde voor een bundel over het beeld van Oostende in de Nederlandse literatuur. Enkele jaren later zou hij zelf in die stad aanspoelen: ‘De liefde gevolgd’, zei hij daarover in een interview.
Toen Aan dezelfde zee verscheen, kregen medesamensteller Tom Sintobin en ik een impromptu bespreking toegestuurd, waaruit ik hier niet durf te citeren. ‘Beschouw het onderstaande als off the record’, maande Schoolmeesters ons: ‘Als recensent zou ik in een Vlaamse context sommige uitspraken iets vriendelijker formuleren.’ Ondanks dat ietsje vriendelijkheid blijven veel van zijn wel gepubliceerde boekbesprekingen het herlezen waard, bijvoorbeeld waar hij de literairhistorische overzichten Nederlandse Literatuur, een geschiedenis en Altijd weer vogels die nesten beginnen onder de loep neemt.
Relativerend, zelfstandig, geen teamspeler
In de eerste jaren na zijn afscheid van Tilburg werd Schoolmeesters terughoudender met publiceren om redenen die voor mij wat schimmig zijn gebleven. Nu mag misschien wel worden onthuld – al was het maar ten bate van zijn mede-bibliografen – dat hij destijds kortstondig actief was onder het pseudoniem Johan de Witte.
De laatste tijd verbleef Jan Schoolmeesters tot zijn ongenoegen in een woonzorgcentrum, alleen op een kamer waar slechts een miniem deel van zijn bibliotheek onderdak kon vinden en aangewezen op een rolstoel. Toch bleef hij ook in die omstandigheden getrouw aan het zelfportret dat hij schetste toen ik hem in 2008 had uitgenodigd om na vele jaren opnieuw als recensent op te treden in Spiegel der Letteren: ‘Ervaring, kritisch, relativerend, zelfstandig, geen teamspeler.’ Kortom: de ideale lezer.
Mooi en waardig in memoriam! En zeer herkenbaar. Ik heb Jan Schoolmeesters van nabij meegemaakt toen ik van 1986 tot 2005 verbonden was aan de Tilburgse universiteit. Hij werkte mee aan het mede door mij geredigeerde Lexicon van Literaire Werken. Jan was een fijne, betrokken collega en een interessante gespreksgenoot. En hij was erg goed in het relativeren van het universitaire gedoe aan de marge van het wetenschappelijke bedrijf, gedoe dat door bestuurders helaas als de kern van dat bedrijf wordt beschouwd.
Dank, Jaap!
Een verslag van Jans uitvaart is sinds vandaag hier te vinden:
https://www.eenzameuitvaart.be/uitvaarten
Betere link:
https://www.eenzameuitvaart.be/uitvaart/de-eenzame-uitvaart-van-meneer-j-s-in-turnhout
Goed dat je deze connaisseur van de grote dichter Jos de Haes en deze bijzondere mens, die aan het academische bedrijf onderdoor lijkt te zijn gegaan, gedenkt, Koen!