
•• Uit de bundel Wisselplaats van Monique Wilmer-Leegwater.
De zoon en de nacht
En dan de zoon, zoveel zoon. De sterke grote
zoon, ontsproten aan de warmste moederschoot.
Aan een woud met duizend dalen, bergen, meren.
De moederzoon. Het draven, briesen, roepen
graven, klimmen, dragen.
Het vlinderfijne, vingervlugge, het zachtjes
wakker kussen.
Het klemmen. De bruine ogen, het donkere haar
sluik en stijl, en toch het blijven kijken door
de gaten.
Geen gluren, nee, geen gluren, meer het
onafgebroken woordeloze, het glanzen tot op
de botten, tot in de laatste uren, laatste uren.
Als een glooiende rivier bij het rooien van de dag
in een weergaloze zon. Het weten
van de nacht, het weten van een geluidloze nacht
een oeverloze nacht, de moederloze nacht.
Het weten van de vissen en dat ze zwemmen moeten,
de nacht. Nee, geen nacht, dit glanzen, dit
glijden, dit willen blijven.
Ook moeders moesten ingegraven, graaf ze in, breng
ze dichterbij. O, de zoon, o, de moeder, o, de nacht
hoe alles drijven mag.
Monique Wilmer-Leegwater (1966)
uit: Wisselplaats (2023)
•• Abonnees van Laurens Jz Coster krijgen iedere werkdag gratis een gedicht in hun mailbox.
Laat een reactie achter