
Willem Isaacsz. van Swanenburg, 1610. Collectie Rijksmuseum
Met een hamerslag opende voorzitter Kuijper de vergadering van de universitaire werkgroep voor Gecontroleerde Transitie en Strategische Tijdelijkheid.
‘Geachte deelnemers van dit overleg, fijn dat we voltallig zijn voor deze voortzetting… van onze eerdere voortzetting. U zal zich herinneren dat wij in de schoot van onze GTST-commissie eerder al beraad hebben geslagen over de herijkingkaders van ons academische model. Conform de agendering geef ik nu graag het woord aan secretaris Kuipers, met het verzoek een overzicht van de voorgaande samenkomst te memoreren.’
De persoon die net was aangesproken opende prompt een map met uitgetypte notities.
‘Dank, mijnheer de voorzitter, voor het mij toevertrouwen van het spreekrecht. In onze vergadering van 25 maart jongstleden, aangevat op klokslag 11 uur 32 en beëindigd op klokslag 17 uur, heeft inderdaad een formele bespreking plaatsgevonden inzake alternatieve organisatieprincipes voor onze universiteit.’
Kuipers kuchte even om een cesuur in zijn bijdrage te markeren.
‘Op instignatie van collega Kuyper, met ypsilon, is toen in gezamenlijkheid vastgesteld dat de academische kennisinstelling door de eeuwen heen aan mutatie onderhevig is geweest. Initieel, zo was de consensus, geleek zij een klooster, met wetenschappers die zich monniksgewijs bezonnen over vragen die bijvoorbeeld de geslachtsbepaling van een engel betroffen. Daarna, in woeliger tijden, opereerde de universiteit vaak als een revolutionair bastion om, eenmaal in rustiger vaarwater gekomen, te transformeren tot een overheidsinstantie vol volgzame medewerkers die tot aan de pensioengerechtigde leeftijd hun dagtaak vervulden. In het recente verleden ontstond de opvatting dat een universiteit moest fungeren als een tussenstop voor jongeren die nog even willen chillen voor ze de maatschappij ingeworpen worden. En anno nu is een zichzelf respecterende universiteit in wezen een commerciële winstmachine, waarvan de onderzoekagenda primair wordt bepaald door maatschappelijke stakeholders.’
Na dit verslag nam voorzitter Kuijper het stokje weer over.
‘Veel dank, collega Kuijpers, voor deze informatieve synopsis, zodat nu, het adagium “Stilstand is achteruitgang” indachtig, de vraag rijst: op welke wijze willen wij een volgende slag slaan in het proces van continue verandering van onze universiteit? Graag verneem ik met oprechte belangstelling wat collega Kuijpert te melden heeft over de stand van zaken aangaande het actieplan dat hem ten vorige male als opdracht is meegegeven.’
De beurt ging nu naar een persoon aan de andere kant van de tafel.
‘Mijnheer de voorzitter, volgaarne wil ik op uw verzoek ingaan. Meteen na de vorige vergadering hebben wij per omgaande een enquête naar onze universitaire medewerkers verstuurd om aldus een peiling te verrichten waarmede wij wilden achterhalen hoe onze gemeenschap invulling zou willen geven aan die broodnodige verandering. Op die bevraging heeft één persoon van het mannelijke geslacht gereageerd, zijnde Friedrich Nietzsche van de afdeling antieke filologie. Ik zal u nu in kennis stellen van zijn antwoord, met voorafgaandelijke excuses voor de informele formuleringen die deze persoon in zijn correspondentie hanteert.’
Kuijpert haalde een brief uit zijn binnenzak en begon die voor te lezen.
‘Beste luitjes, helemaal voor. We moeten eens goed aan de boom schudden. Laten we afstappen van universiteiten voor de massa en een oord creëren voor briljante geesten: chaotisch, zonder regels, deadlines of notulen. Een instituut ingericht als een gekkenhuis, bedoeld voor zweverige vrijbuiters, waar alles mag en kan. Fantasten willen dwalen, dromen en experimenteren. Of zo’n instituut nuttig is? Geen idee. Muziek en kunst en literatuur zijn ook maar spielerei van de geest, maar een mens kan blijkbaar niet zonder. Doe er uw voordeel mee en maak er iets moois van! Houdoe. Uw Fried.’
Kuipert sloot de brief en keek betekenisvol naar de overige leden van de vergadering. Even later besloot de commissie dat het voorstel van collega Nietzsche onvoldoende aanknopingspunten leverde voor een gedragen veranderingsproces, zodat ze zich genoodzaakt zag zich bij een volgende gelegenheid toch maar zelf te buigen over een toekomstbestendig raamwerk dat meer houvast bood voor een duurzame transitie.
Laat een reactie achter