
Op 7 oktober 2025 stelde de redactie van het Algemeen Letterkundig Lexicon (ALL) aan de lezers van dit tijdschrift de volgende vraag: “Hoe heeft het ALL uw werk verrijkt of geïnspireerd en op welke manier kan het Lexicon u nog beter helpen?”. De redactie ontving van Henk van der Velde het onderstaande antwoord.
Mijn besluit stond vast: ik ging een roman schrijven. Lang tevoren was in mijn hoofd een verhaalidee ontstaan en dat wilde niet langer een cerebraal bestaan leiden. Het wilde de wereld in, uitgewerkt worden, neerslaan in woorden en zinnen en hoofdstukken. Het wilde worden afgedrukt op hagelwit papier, voorzien van een mooie omslag en bovenal: het wilde worden gelezen.
Aan het werk dus. De ontwerpfase, waarin ik de grote lijnen van het verhaal uitzette, de personages een gezicht gaf en de roman structureerde, kon vrij snel worden afgerond. Maar toen het tijd was geworden voor het eigenlijke schrijfwerk, stokte de machine.
Het was duidelijk dat ik behoefte had aan houvast en om die te vinden, zocht ik mijn heil in stijlgidsen en handboeken voor schrijvers. Nu boden deze weliswaar enig soelaas, maar voor het overige schoten ze schromelijk tekort. De aangereikte adviezen en richtlijnen waren van betrekkelijke waarde en subjectief gekleurd, en bovendien bleven niet of moeilijk te formaliseren aspecten van het proza schrijven buiten beschouwing. Gaandeweg werd duidelijk dat ik goed schrijven niet uit dit soort werken zou leren. Maar hoe dan wel?
Het antwoord op die vraag kwam, ironisch genoeg, uit een stijlboek. Steven Pinker schrijft in The Sense of Style (2014) het volgende:
When I polled some accomplished writers about which style manuals they had consulted during their apprenticeships, the most common answer I got was “none”. Writing, they said, just came naturally to them.
I’d be the last to doubt that good writers are blessed with an innate dose of fluency with syntax and memory for words. But no one is born with skills in English composition per se. Those skills may not have come from stylebooks, but they must have come from somewhere.
That somewhere is the writing of other writers. Good writers are avid readers. They have absorbed a vast inventory of words, idioms, constructions, tropes, and rhetorical tricks, and with them a sensitivity to how they mesh and how they clash. (p. 11)
In deze passage zinspeelt Pinker op het verschil tussen regelgebaseerd en voorbeeldgebaseerd leren. Voor de schrijver die echt een hoger niveau wil bereiken, is het raadzaam de algemene regels uit schrijfgidsen naast zich neer te leggen en de verteltechniek uit literaire werken als leerstof te gebruiken.
Warboel
Om instructieve voorbeelden te kunnen bestuderen, nam ik een verfrissende duik in de wereldliteratuur. De korte verhalen van Ernest Hemingway, de romans van Hermann Hesse, Ulysses van James Joyce, het magisch realisme van Hubert Lampo en de ‘literaire alchemie’ van Harry Mulisch leverden een schat aan nieuwe inzichten op. Ik las deze werken met allerlei vragen in het achterhoofd en probeerde die zo gedetailleerd mogelijk te beantwoorden. Al snel had mijn leesactiviteit een bonte verzameling narratieve en talige elementen opgeleverd. Het grote probleem met die grote hoeveelheid gegevens was dat er geen orde, geen systeem in zat.
Hier schoot het Algemeen Letterkundig Lexicon (ALL) mij te hulp. Want met behulp van de literaire termen uit het ALL kon ik mijn gegevens classificeren en groeperen, zodat er uit een chaotische warboel een georganiseerd geheel ontstond en inzicht mogelijk werd. In het navolgende wil ik van deze werkwijze enkele voorbeelden geven en daarbij zal ik literaire termen uit het ALL vermelden met een link.
Neoromantisch
Het eerste voorbeeld is ontleend aan het werk van Hemingway. Bij deze schrijver viel me op dat hij niet of zeer beperkt gebruikmaakt van voegwoorden en dat verschijnsel kon ik dankzij het ALL rubriceren als parataxis. Het weglaten van voegwoorden en daarmee van contextuele informatie betekent een volledig overdragen van de betekenisgevende activiteit aan de lezer. Dit is een van de kenmerken van het Hemingwayese, zoals de schrijfstijl van Hemingway soms genoemd wordt.
In Das Glasperlenspiel van Hesse, een Bildungsroman, staan de opvoeding en karakterontwikkeling van de hoofdpersoon centraal en ook dit kenmerk kon ik met behulp van het ALL in een breder kader plaatsen. De balans tussen showing (laten zien of voorstellen) en telling (berichten of vertellen) slaat bij Hesse veelal door naar de kant van telling. Het beschouwelijke, neoromantische, spirituele karakter van zijn werk vraagt om deze aanpak en een meesterverteller als hij bereikt daarmee prachtige resultaten.
Preoccupaties
De roman Ulysses bevat het misschien wel beroemdste voorbeeld van een stream of consciousness, een “techniek om weer te geven wat personages innerlijk beweegt”. Wellicht minder bekend zijn de soms verbluffende staaltjes taalkundige acrobatiek die Joyce in dit werk ten beste geeft. Het chiasme (kruisstelling) is een veelvoorkomende stijlfiguur in Ulysses, maar de volgende chiastische structuur uit hoofdstuk 7 is uitzonderlijk:
Grossbooted draymen rolled barrels dullthudding out of Prince’s stores and bumped them up on the brewery float. On the brewery float bumped dullthudding barrels rolled by grossbooted draymen out of Prince’s stores.
Boven de speelsheid uit zet Joyce met zijn literair-technische experimenten aan tot reflectie op de verhouding tussen mens, taal en wereld en op de vragen wat een roman eigenlijk is en welke rol de auteur speelt. Deze preoccupaties zijn kenmerkend voor het modernisme.
Gevoelsgeladen
Het magisch realisme van Lampo is sterk beïnvloed door de dieptepsychologie van Carl Gustav Jung. Hierin is archetype een sleutelbegrip. Het archetype is volgens het ALL
een oerbeeld dat wortelt in het collectief onbewuste (C.G. Jung). Archetypes zijn universeel, d.w.z. ze komen voor in tal van culturen die in tijd en ruimte van elkaar verwijderd zijn en genetisch niet met elkaar verwant. Ze duiken op in een groot aantal creatieve uitingen zoals mythen, sprookjes en andere literaire werken, maar ook in dromen, in geritualiseerde patronen van sociaal gedrag, in schilderijen, enz.
Een voorbeeld van een archetype is de verlosser. Veel mensen zullen hierbij onmiddellijk denken aan Jezus Christus, maar in de alchemie is Mercurius een verlosser, in de graallegende is Parsival een verlosser en in Lampo’s roman De komst van Joachim Stiller is het titelpersonage een verlosser. Archetypen zijn gevoelsgeladen en oefenen een fascinerende invloed uit. Lampo zelf zag daarin een verklaring voor de buitengewone receptie van zijn werk (Heimwee naar de sterren, p. 247-248).
Dialooglabels
Het ALL speelde niet alleen achteraf een rol, als taxonomie, maar stuurde ook vooraf mijn leesactiviteit. De literatuurverwijzingen gaven aanleiding tot het inslaan van nieuwe wegen en de begrippen zelf fungeerden als ‘zoeklichten’ die de aandacht op onvermoede aspecten van de literaire werken vestigden. Neem het begrip spanning. Toen ik dit zoeklicht richtte op De ontdekking van de hemel van Mulisch, sprong het einde van hoofdstuk 60 er meteen uit. Het is een klassiek voorbeeld van een cliffhanger:
Uit zijn rugzak haalde hij een lange loper en legde de baard om de achterkant van de rechter steen; helpend met zijn vlakke hand, die net door de spleet kon, probeerde hij of er beweging in was te krijgen. Knersend over gruis schoof de steen naar voren. Hij stutte helemaal niets!
“Papa…” fluisterde hij toonloos. “Ik heb ze”. (p. 816)
Op dezelfde manier leerde ik van Mulisch hoe je een dialoog zo vorm kunt geven dat je weinig of geen dialooglabels nodig hebt. In zijn dialogen maakt wat er gezegd wordt tegelijk duidelijk wie het zegt.
Schrijfpalet
Uit het voorgaande blijkt hoe belangrijk literaire voorbeelden zijn voor de schrijver die zichzelf wil verbeteren. Vooralsnog verschaft het ALL informatie over literaire termen ten behoeve van studie en wetenschappelijk onderzoek, en de opgenomen voorbeeldfragmenten zijn voornamelijk bedoeld om deze termen te verhelderen. Wat zou het prachtig zijn als de redactie het voorbeeldmateriaal zodanig zou uitbreiden dat dit de behandelde termen niet alleen illustreert, maar tevens een goed beeld geeft van hun toepassingsmogelijkheden. Aan het lemma ‘parataxis’ bijvoorbeeld zou dit fragment uit “The Killers” van Hemingway kunnen worden toegevoegd:
Outside it was getting dark. The street-light came on outside the window. The two men at the counter read the menu. From the other end of the counter Nick Adams watched them. He had been talking to George when they came in.
Verdere aanvulling met andere voorbeelden en met tips voor het gebruik van parataxis en informatie over de effecten die ermee bereikt kunnen worden, resulteert in een waar ‘schrijfpalet’. Zo’n schrijfpalet laat mij als schrijver niet alleen zien wat parataxis is, maar ook hoe zij aangewend kan worden.
Taal is een fascinerend studieobject, maar taal is vooral een instrument om te gebruiken. Schrijvers leren dit instrument effectief in te zetten aan de hand van geschikte voorbeelden. Door het ALL daarmee uit te breiden, ontstaat een dynamisch digitaal platform dat het voorbeeldgebaseerde leren ondersteunt. Werkelijk alle schrijvers zullen daarmee hun voordeel kunnen doen, of ze nu een blog schrijven of een roman en of ze nu kampen met een writer’s block of hun stijl willen verbeteren.
Een schrijfpalet is géén schilderspalet! Het is een ovaal plankje zonder dot(ten) verf. Waar ik in geïnteresseerd ben is taal dat tussen realisme en surrealisme inzit. Zijn hier voorbeelden van?