In een tijd waarin onderwijs sterk inzet op basisvaardigheden als lezen, schrijven en rekenen, stelt Catherine van Beuningen in haar oratie een fundamentele vraag: waartoe leiden we kinderen en jongeren eigenlijk op? Het aanleren van basisvaardigen kan aldus van Beuningen daarop niet het volledige antwoord zijn.

Basisvaardigheden volstaan niet om kinderen en jongeren toe te rusten voor de complexe, globaal verbonden en meertalige wereld waarin zij opgroeien. Wat leerlingen nodig hebben, is kritische mondigheid: het vermogen om met kennis van zaken zelfstandig te denken, verantwoordelijkheid te nemen, verschillende perspectieven te wegen en hun stem te laten horen, in alle talen die zij spreken.
Wereldbeeld
Goed onderwijs helpt leerlingen om de wereld om hen heen te begrijpen, om hun eigen stem daarin te vinden en om naar anderen te luisteren. Het nodigt hen uit om niet alleen deel te nemen aan de wereld zoals die is, maar om zich ook voor te stellen hoe die anders zou kunnen zijn – en daaraan bij te dragen. Basisvaardigheden zijn daarin belangrijk, maar niet voldoende.
Rijk onderwijs
‘Wat leerlingen nodig hebben, is inhoudelijk rijk onderwijs waarin de talen, perspectieven en ervaringen die zij met zich meebrengen niet als obstakel worden gezien, maar als vertrekpunt. Onderwijs dat ertoe bijdraagt dat leerlingen niet slechts vaardig, maar ook mondig worden: in alle werelden waarvan zij deel uitmaken’, zegt van Beuningen.
Prof. dr. C.G. van Beuningen, bijzonder hoogleraar Wereldburgerschap en tweetalig onderwijs: Onderwijs voor een meertalige en verbonden wereld: van basisvaardigheden naar kritische mondigheid.
Mmmm…
Maar waarom wordt momenteel eigenlijk zo sterk ingezet op basisvaardigheden als lezen, schrijven en rekenen? Is dat niet omdat de lees- schrijf- en rekenkunde van onze jongelui nogal te wensen overlaat?
En hoe komt dat?
Was dat niet omdat al decennia geargumenteerd wordt dat basisvaardigheden niet volstaan om kinderen en jongeren toe te rusten voor de complexe, globaal verbonden en meertalige wereld waarin zij opgroeien, dat zij kritische mondigheid nodig hebben, het vermogen om met kennis van zaken zelfstandig te denken, verantwoordelijkheid te nemen, verschillende perspectieven te wegen en hun stem te laten horen, in alle talen die zij spreken?
Is het niet verstandig om onder ogen te zien dat het onderwijs in 22-26 u.pw. en in 40-42 weken p.j. geen wonderen kan verrichten.
En dat de vorming van onze jeugd gelukkig niet alleen op school maar ook nog een veelvoud aan uren per week en per jaar via andere kanalen tot stand komt.
Ik wens mevr. Van Beuningen bij haar oratie veel wijsheid toe.