
De appel.
gij lezer zult geen gelaat van mij doen rijzen,
geen vorm naar wat de letter inkt,
gij ezel schaduw van wat woorden prijzen,
geen spiegeling op het water drinkt.
niet buigen zult gij voor mijn part,
noch dienen wat voorhanden vouwt;
want Ik een appel, de treffer die straft,
wies ijver krom recht buigt.
van schuld t brein draag Ik voort
tot derde, vierde kinderlijn
van hen wier spel zich van mij keert
t zal niet Mijn spelen zijn.
mild hij die de appel doorboort
voor wie Me liefheeft, Me bewaart, Mij;
die kuiert achter M’n Gestalt koorts,
voor letters in het bladlicht Mijn Mij.
onsterfelijk woord hemels doof,
oogt de appel niet zal splijten,
zwicht loze woorden,
wormstekig platga-
Tekst en beeld: Robert Kruzdlo.
Geïnteresseerd in een van de schrijversportretten – of een andere tekening – van Robert Kruzdlo? Neem contact op met de maker.
Mooi. Mooi ook dat het rijm een belangrijke rol heeft.
Vraagje: moet ik ‘wies’ als ‘wiens’ lezen in de regel ‘wies ijver krom recht buigt’. Nu lees ik de verleden tijd van ‘wassen’. Kan ook, want dan bedoelt de regel dat je de ijver moet doen verdwijnen.
Dankjewel Anneke Neijt. Ik heb géén redacteur en niemand van de redactie Neerlandistiek was het opgevallen. Wies: Ijver je niet om te willen weten wie Evi Aerens is. Evi wil net als god niet gekend worden. Inderdaad gaat het hier om de onvoltooid verleden tijd van wassen in de betekenis “aangroeien”, het werkwoord wassen in de betekenis “schoonmaken” had oorspronkelijk een onvoltooid verleden tijd wies (destijds ook wel gespeld als wiesch), die echter is verouderd; waste in deze betekenis komt voor vanaf de 17de eeuw.
Ijver je niet om iemand die zich geen gezicht aanmeet. Was het weg. Maar wiens kan ook!
Het laatste couplet moet zo geplaatst worden:
onsterfelijk woord hemels doof,
oogt de appel niet zal splijten,
zwicht loze woorden,
wormstekig platga-