
•• Het eerste canto uit Fausta, de nieuwe bundel van Evi Aarens — wier ware identiteit inmiddels bekend is.
Het is nog vroeg als ik mijn huid opraap, de trap
Af wentel en de deur uit gaap. Het voorjaar heet mij welkom
Met een welbekend geluid. De wind ruist westzuidwest.
Ik hoor het treurig luiden van de verre kardinaal.
Beschonken belt de aarzeling, de weifeling,
De sleur van tijdeloosheid zeurt in natte kopertaal.
Ik ben geen held, want ik geloof dat iets of iemand
Mij vandaag een teken gunt, een oosterlicht
Dat mij met absolute zekerheid vertelt
Waar ik het cruciale punt traceren kan,
De stip die aan de zogenaamde kim
Als meesterstunt een mens belooft. Ik hap,
Kortom, naar een idee, een schip dat als de eb en vloed
Meer golven brengt dan water rooft. Dit is het derde uur
Waarop een brul valt uit de lippen van de zee.
Zij toont haar ongevoerde wolventanden, heft
Haar opgelierde leeuwenklauwen, vreet
Wat in haar onverdolven branding valt.
De oceaan is even opportuun als wreed. Ik laat het met
Ontzag gebeuren. Op de trappen van de tuin zie ik
Dat de natuur haar winterkleed heeft ingeruild
oor lentekleuren, voorjaarslucht. Ik inhaleer
De tintelingen van een prille kosmos,
Lentegeuren zonder naam of stem.
Geen spoor van stille dood. Ik hoor alleen het kiezelpad,
De stenenzee waarover ik langs rozenperk
En beestentuin de kille zee bereik.
Het is een vreemd idee: een dierenrijk van
Monsterlijk en koud basalt dat grimmig waakt
Over de heimwee en de schimmels van de nacht.
Maar dit, dit is een tijd van goud en niet van klei.
Als lid van het geslacht van mensen droom ik van
Een taal die oud en toen met nieuw en thans verbindt.
Op dit terras is alles blauw van oceaan. Ik wacht
Met ingehouden adem op het licht, een vals foton
Dat onbedacht de duisternis in repen trekt.
Ik heb de zee op zicht besteld, dus daal ik
Tot de allerlaatste tree en hef één been.
In evenwicht tel ik tot minstens twee.
Is dit de allerzeeste zee van alle zeeën? Nee. Dit is
Geen overdreven zee, maar wel een zee die alles weet.
Ik knijp mijn ogen dicht en wacht. Geen toverfee,
Geen God, profeet. Niets van hen alles, nee.
Slechts doodgewoon de zee. Het vierde uur.
De kardinaal gaat als een bij gekleed. Ik hoor de bel
Van mijn verdiende loon. Het baken dat gevaar aangeeft,
Dat zegt: tot hier want dáár is niets dan zand en rots.
Een boei is als een zoon die ons verloren wijsheid brengt.
Wie steekt haar hand op? Ik. In het besef dat ik
De golven niet moet onderschatten, dat er brokken
Kennis nonchalant in deze vloedlijn zijn verpakt.
De golf zet voet aan land en klotst haar
Wijsheid in de vloedlijn uit. De waarheid
Schuimt en ik weet: dit komt goed.
Ik trek mijn slippers uit, hoor de bazuin
Van kreeftenvissers in geloken mist.
Zij foerageren op de tast, een rookgordijn
Van onbesproken wensen trekt traag op. Ik wandel
Met mijn tenen tastend naar het grensgebied
Waar oceaan en klif nooit uitgesproken zijn.
Een fluistering in het totaaldebat, dat is mijn wens.
De rol van figurant in het gesprek dat ooit begon
En tot het einde van de vloed intens blijft razen.
Ik ben nog jong, een querulante vrouw geboren
Op de eerste zondag van een nieuw begin, het vijfde uur.
Ik wens mijzelf een vloeiend standpunt toe.
Een golf komt nooit alleen. Zij is een zin die staat
Geschreven in een korte paragraaf die weer
Een schakel vormt in een immens verhaal.
De zee is als de telegraaf die tot mij spreekt in codes
Die van branding zijn gemaakt. De rimpelingen waaieren
Als bruisend consonant octaaf uiteen.
‘Ik ga van grootse, ondoorgrondelijke dingen spreken,’
Zegt de oceaan mij aan. Ik heb geen weet waarvan
De golven met consumptie tot mij zingen.
Ik slaak een stille kreet, mijn weerwoord valt
Volledig plonsloos op de weggetrokken zee.
De golf die komt is hoog en breed, zij vraagt
Of ik mijn onverschrokken bede wil herhalen?
Omdat de oceaan gedachten lezen kan, heeft
Het volstrekt geen zin te jokken of te dralen.
‘Geef mij,’ zeg ik, ‘als het u blieft en in uw plan
Een plekje krijgen kan, geef mij een klein talent
Waarmee ik ten behoeve van de mensheid iets
Of ietsje meer dan iets kan bijdragen. Er zijn,
Daar gaat het om. Laat mij er zijn en mijn talent
De schijn voorbij een stempel zetten op de tijd.’
Vraag ik te veel? Wie weet. Mijn staat van dienst
Is nederig en ongezien. Ik vraag niet meer
Dan druppels uit de weldaad van de zee,
Dan bellen uit de schuimkraag van de golf.
De oceaan oogt uitgeraasd. Dit is het zesde uur
Waarin het laatste golfje traag en futloos zijgt
De zeeën komen en de zeeën gaan, en ook
De golfslag die kortstondig tot mij riep: ‘Besta!
Besta en waan je groter dan de zee!’
Maar ach, dit trage uur waarin de oceaan zich wentelt en
Van groenig grijs naar grijzig groen verschiet.
‘Dag zee,’ zeg ik. ‘Dag lieve zee. Jij bent
Tot lijzige herinnering verkleind.’ De golven worden
Weggeslurpt. De oceaan maakt rechtsomkeert,
Waar hij vooreerst nog rijzig en baldadig gromde.
Ik heb mij met die zee geëngageerd maar kijk
Nu naar een zilte massa die niet bruist
En mij niet langer tutoyeert. Ik adem
Koude stilte in. Ik keer mij om en knipper
Rauwe ogen. Ik zoek betekenis in wat de leegte
En de kilte van de ochtendzee voor mij in petto heeft.
Er komt een roek langszij gevlogen, schijnbaar
Uit een mistig niets het waterfront voorbij.
Ik vloek een stille vloek, het valt zo godvergeten
Tegen dat een teken of verbond is uitgebleven.
Ik houd nog een moment de wacht en concludeer
Ten slotte dat de kosmos haar belofte schond,
De oceaan niets heeft gebracht.
Evi Aarens (2000)
uit: Fausta (Querido, 2026)
•• Abonnees van Laurens Jz Coster krijgen iedere werkdag een gedicht in hun mailbox.
Laat een reactie achter