
De reis
Vaarwel, kortstondig leven, handvol dagen,
ik wacht op het perron, mijn kraag omhoog,
ginds komt de trein door de berookte boog
om in het duister met mij heen te jagen.
Dit is het einde van mijn aardse plagen
het schaars geluk dat spiegelde en bedroog,
het ongeluk dat immer zwaarder woog,
ik hoef ze beide langer niet te dragen.
Mijn leven was gelijk een dag van Leugen,
wat bleef er van in mijn verzwakte geheugen
dan het verlangen naar een beter lot?…
Mijn moede voet stijgt langs de lutt’le treden,
de Leugen lacht mij toe, maar beneden:
ik reis gerust, – de Waarheid is bij God …
•••
Na Jaren
Als ik na jaren weer zal komen
uit mijn overgroeide graf,
zal ik dan nog de verzen horen
die ik bij mijn leven gaf?…
Zal er dan nog een enkele wezen
die ze niet vergeten heeft,
zal er nog één de bladen lezen
waar ‘k mijn ziel heb uitgeleefd?…
Laat ik niet hopen, laat ik niet denken,
dichters komen, dichters gaan,
zoals ik had, zo moest ik schenken
en mijn lief heeft mij verstaan.
François Pauwels (1888-1966)
•• Abonnees van Laurens Jz Coster krijgen iedere werkdag een gedicht in hun mailbox
Laat een reactie achter