
Met Vlaamse vergezichten bevestigt Erwin Mortier nog maar eens zijn status als één van de belangrijkste stemmen in de hedendaagse Nederlandstalige literatuur. Voor Vlaanderen mag hij mijns insziens tot de grootste schrijvers ooit gerekend worden. Zijn taal is magistraal. Hij schrijft erg zinnelijk, precies, poëtisch en doordrongen van een stilistisch zelfbewustzijn dat toch bescheiden Vlaams blijft. Elk woord lijkt gewikt en gewogen, elke zin draagt de cadans van een geoefend romancier.
Hoewel Mortier schrijft met de pen van een verteller, is Vlaamse vergezichten in wezen een essayistisch werk. Het boek is een persoonlijke, zoekende en tegelijk erudiete verkenning van literatuur, cultuur en identiteit. Aan de oppervlakte volgt de lezer bijvoorbeeld een zoektocht naar een ver familielid dat tijdens de oorlog ‘fout’ was ; een beladen gegeven dat in minder bekwame handen al snel zou verzanden in zwaarte of moraliserende ernst. Mortier kiest echter voor een subtielere benadering. Met een dosis ironie, en vooral dankzij zijn intelligentie en fijnbesnaard schrijven, komt hij hiermee weg. De lichtheid die hij soms toelaat, maakt het geheel net beter verteerbaar en des te indringender.
Het boek meandert door Mortiers geboortestreek, het Land van Nevele en de regio rond Gent, maar tegelijk ook door het literaire en culturele geheugen van Vlaanderen. Hij herontdekt en herwaardeert zijn voorlopers, figuren als Cyriel Buysse en Rosalie Loveling duiken haast vanzelfsprekend op in deze persoonlijke canon en verweeft hun stemmen met die van hemzelf. Wat ontstaat, is een rijkgeschakeerde tekst die balanceert tussen autobiografie, literatuurgeschiedenis en cultuurkritiek.
Mortier reflecteert scherp op thema’s als Vlaams-nationalisme, religie en sociale verhoudingen. Namen als Lode Wils en Cyriel Verschaeve, de nu wat vergeten maar ooit erg populaire priester-dichter, fungeren daarbij als ijkpunten in een complex en vaak beladen debat. Tegelijk blijft het boek ook een introspectieve onderneming. Erwin Mortier onderzoekt zijn eigen schrijverschap en zijn eigen identiteit. Mortier toont hoe hij gevormd is door het katholicisme, door de beklemming en de schoonheid van het Vlaamse dorp, door een cultuur die zowel bekrompen als teder en vertrouwd kan zijn.
De achterflap omschrijft het werk als een “biografisch getinte cultuurgeschiedenis”, en dat is wellicht de meest treffende typering. Mortier schrijft zijn persoonlijke canon bijeen, maar doet dat zonder in navelstaarderij te vervallen. Zijn blik blijft open, kritisch en tegelijk liefdevol. Voor elke Vlaming die geïnteresseerd is in de eigen, net-niet-natie, in haar cultuur en haar verleden, is dit boek dan ook verplichte lectuur en zelfs een waar leesplezier.
Vlaamse vergezichten is een boek dat niet alleen informeert en reflecteert, maar ook esthetisch weet te verleiden. Het bevestigt Mortiers meesterschap en onthult een dialoog: die tussen verleden en heden, persoonlijk beleven en het collectief. Doe zo verder, Mortier, hoezee!
Laat een reactie achter