
Hoeveel boekhandels zouden deze Boekenweek De som van mijn mislukkingen van Lou-Anna Druyvesteyn op een thematafel ‘Mijn generatie’ durven neerleggen? Vanaf de openingsscène is duidelijk dat we te maken hebben met een roman waar twee zaken onmiskenbaar aan opvallen: de expliciete seksuele omschrijvingen en het soort ironische distantie dat we kennen van de millennialliteratuurbingokaart. Wie niet vies is van het lezen over een generatie die seksueel actiever is dan die van Hendrik Groen, en na het openingshoofdstuk nog niet zucht over de zoveelste millennial waar de hechtingsproblematiek vanaf druipt, kan hier een prima boek in lijn met het boekenweekthema aan hebben.
‘Generatieverschillen’ is namelijk een thema in deze debuutroman over een twintiger die in een affaire belandt met haar collega: ‘voor het eerst een vrouw, getrouwd en precies twee keer zo oud’, aldus de flaptekst. Die affaire ontstaat volgens het boekje: ze werken al een poos samen, we zien langzaamaan de emotionele afhankelijkheid ontstaan, de eerste neigingen om de ander over haar wollen trui te strelen, en hoppa, we bevinden ons op een glijdende schaal, die de ik-persoon tegen het eind van de roman als zodanig herkent in een passage die niet had misstaan op de achterflap:
Waar ligt de grens tussen verlangen en jezelf verliezen? Is er een grens, of is dit altijd een glijdende schaal, zoals alles een glijdende schaal is als je een beetje verslavingsgevoelig bent? (Ik rook echt niet meer hoor!) (p. 191)
Druyvesteyn doseert die glijdende schaal goed, en een duidelijk kantelpunt komt precies wanneer je op één derde van de roman bijna moe begint te worden van het feit dat zo’n beetje iedere zin van de ik-persoon begint met ‘ik’:
Ik ga naar binnen maar het lukt niet de trap op te lopen. Ik sta in de hal en mijn mondhoeken hangen. Ik heb zin om te jammeren, maar jammeren in je eentje is niks minder dan die boom die omvalt in een bos zonder iemand in de buurt. Ik twijfel over een ommetje maar daar heb ik te hoge hakken voor aan. Ik […] Ik […] Ik […] Ik […] Ik […]. (p. 81)
Het egocentrisme van de twintiger wordt zó breed uitgemeten dat het bij vlagen wel lijkt of we te maken hebben met een parodie op een millennialroman. Werkelijk alles is ingewikkeld (‘Een vriendin komt eten en ik ben vergeten boerenkool te kopen. Ik ben het niet écht vergeten, maar ze hadden het niet bij de dichtstbijzijnde supermarkt en toen ik daarachter kwam, had ik geen zin meer om naar de volgende supermarkt te lopen’).
Maar dat verandert dus voordat het je als lezer echt de keel uit begint te hangen. Na een wat verwarrende fase tussen de ‘ik’ en de ‘zij’, waarin soms alles veranderd lijkt (‘Elke keer als ze nu ‘wederzijds’ zegt, en ze lijkt het vaker te zeggen dan voorheen, schiet mijn hart naar mijn keel’), soms niets veranderd lijkt (‘Ik stuur haar een liedje en ze heeft commentaar op de orkestratie. Er is niets veranderd’) en het de vraag is of de boel wel of niet escaleert (‘Het maakt niet uit of je iets werkelijk laat escaleren als dat in je hoofd al is gebeurd’), escaleert de boel toch. Vanaf dat moment – al heb ik het niet geturfd – beginnen de zinnen opvallend minder vaak met ‘ik’.
De vernauwde blik verdwijnt dus bij de start van de affaire; de ironie niet:
Ze is bang, zei ze toen we weer naar buiten liepen, dat ze me overspannen of ongelukkig maakt. Ik stelde haar gerust: dat doe ik helemaal zelf. (p. 166)
Tegenover de zware gevoelens van de vijftiger stelt de twintiger continu een andere houding:
Dan belt ze me, het is drie minuten voor halfdrie, om te vertellen dat ze misbruik van me maakt. Ik ben meteen enthousiast, wat een geweldig idee. (p. 127)
Ja, plottechnisch gezien zijn er wat merkwaardige zaken. Waar is de partner van die vrouw? Een keer samen met een collega naar een concert van Vicky Leandros kun je nog verkopen thuis, maar dan ook nog samen met die ander naar een concert van Frank Boeijen is in geen enkel opzicht te verantwoorden zou je zeggen. Naar het keramiekmuseum, een Rijncruise overwegen, winkelen in de Peek & Cloppenburg; weekendjes weg, avonden weg, hele werkdagen samen ‘werken’ vanuit bed in plaats van kantoor – gaat dat allemaal zomaar? Het andere leven van de ‘zij’ komt pas echt binnen beeld wanneer ze twee weken op vakantie gaat: ‘Ze leeft haar echte leven, zou je kunnen zeggen (zou zij zeggen)’. Vanaf dan dringt het problematische van de situatie steeds meer tot de ik-persoon door, aanvankelijk vooral tussen haakjes geuit: ‘Nee, met werk is het niet zo handig. (Misschien met de rest van dat leven van je ook niet.)’ Waar de ik-persoon aanvankelijk nog stelt dat ‘de andere vrouw’ zijn ‘in principe de ideale positie’ is (‘Het is vrijblijvend en over het algemeen krijg je er altijd iets te eten bij’), wordt sluipenderwijs en steeds goed gedoseerd duidelijk hoezeer ze ermee worstelt om weggestopt te zijn ‘in een laatje van een leven’.
Dat de parateksten van het boek nauwelijks hinten op een autobiografische laag – ‘Lou-Anna Druyvesteyn (1996) werkt in de journalistiek’, is het enige wat de flap vermeldt over de auteur – komt het boek ten goede. Zo is er voor de lezer geen enkele aanleiding om bij al het rondvliegende speeksel, zweet, snot en braaksel de beeltenis van de auteur voor zich te hoeven zien. Ik heb niet gegoogeld naar de auteur uit angst alsnog interviews te vinden waaruit blijkt dat het echt-allemaal-waargebeurd-behalve-wat-verzonnen-is, en het is een verademing om een boek als dit te lezen zonder dat de persoon van de auteur zich aan je opdringt. De afwezigheid van zo’n nadrukkelijk autofictionele laag maakt De som van mijn mislukkingen sterker als psychologisch portret van een destructieve verhouding.Tegen het einde van de roman blijft het verhaal al te lang ronddraaien in dezelfde cirkeltjes. Ja, is het nu echt klaar tussen ze? Nee, toch weer niet? Dat is een verdraaid frustrerende leeservaring (niet wéér die verwijdering en toenadering! Dit hebben we al drie keer gelezen!) maar is natuurlijk volledig in lijn met de frustratie die de ik-persoon ervaart. En zo verschuift langzaam de focus weg van de millennialproblematiek en wordt duidelijk dat er emotioneel ingewikkelder gedrag is dan mijmeren over of je wel of niet terug moet lopen naar de supermarkt om boerenkool te kopen:
Ze heeft het er sinds twee weken onafgebroken over dat ze zich in een liminale fase bevindt, wat betekent dat je tussen het ene en het andere zit. Dat legt ze me uit met een arrogante frons alsof ik dit zou moeten weten. Ik moet lachen. We moeten altijd lachen, zelfs als er gehuild wordt. Zelf denk ik dat dit het hoogst haalbare is. Zij heeft eens gezegd dat ze niemand kent die zo grappig is, maar ik ken niemand die zich niet stoort aan dat ik overal een grap van maak.
Vermoeiende millennials, met hun ironische gegrap als copingmechanisme? Moet je die vijftigers zien!
De som van mijn mislukkingen, Lou-Anna Druyvesteyn. Prometheus
Laat een reactie achter