
Narrenwijsheid (II)
Ge hadt God en de wereld lief.
Toen sprong Uw bretel los.
Ge breiddet de armen uit om het Al te omvatten,
Maar trok toen niet een trek van wrevel over Uw gelaat,
Wijl juist Uw buurman’s phonograaf te wauwelen begon?
Zuiver waart Ge als ijs en tot reinheid sloeg in, wat
Uw reinheid beroerde.
Waarom dan schreef Ge enkel van de oogen
Uwer liefste
En zweegt Ge van de weelden harer warme heupen?
Hooger en hooger besteegt Ge den berg en
Ge overschouwdet de wereld,
Maar waarom dan die hinder van de modderspatten
op Uw witten mantel?
Sterker is Uw slechte kies bij wijlen dan de brand
der liefde Gods.
Ge moet maar een beetje lachen,
Het is niets.
J.C. van Schagen (1891-1985)
•• Abonnees van Laurens Jz Coster krijgen iedere werkdag een gedicht in hun mailbox.
Laat een reactie achter