
•• In dit gedichtje blijven alle reminiscenties aan de petrarkistische minnepoëzie verre. In plaats daarvan een zuiver rococo-tafereeltje, anekdotisch van inhoud met een geestige pointe aan het slot. De dichter toont zich, zoals in dergelijke bevallige versjes gebruikelijk, afkerig van de abstrakte wijsbegeerte. Meer vertrouwen stelt hij, als man van zijn tijd, in de proefondervindelijke natuurwetenschap: de Verlichting in rococo-kostuum!
– P.J. Buijnsters
De vergeefsche proefonderneming
Laatst was ik bij mijn Fillis,
Zij zat een wijl te peinzen,
Maar, in het einde vroeg zij:
‘Weet gij wat of een kuschje is?’
Ik zei: mijn liefste meisje,
Dit is te Philosophiesch;
Een kuschje laat zich voelen,
Doch laat zich niet beschrijven,
Misschien, dat wy het wezen,
Als ook den aart der kuschjes,
Door dadelijke proeven,
Wel min of meer ontdekken.
Ik greep haar in mijn armen,
En drukte mijne lippen
Op heur bevallig mondje
Nu kuschten wij elkander
Op allerhande wijzen.
Ik bleef schier onbeweeglijk
Op heure lipjes kleeven.
Doch, na zoo veele proeven,
Was ’t ons nog gansch onmooglijk,
Een kuschje te beschrijven.
Ik zei: mijn lieve Fillis,
Wij zullen ’t nooit ontdekken! –
‘Wel zeide toen mijn meisje,
Laat gij de hoop reeds vaaren,
Wie weet! zo wij de proeven
Te meermaal weêr hervatten,
Of wij het niet ontdekken!’
Jacobus Bellamy (1757-1786)
uit: Gezangen mijner jeugd (1782)
•• Abonnees van Laurens Jz Coster krijgen iedere werkdag een gedicht in hun mailbox
Laat een reactie achter