
Het roosjen
Lief roosjen! Wiens bloosjen
Een poosjen maar staat;
Dat geurig En kleurig,
Zoo schielijk vergaat;
Dat bloeyend En groeyend
Al stoeyend geplukt,
Het jeugdige Vreugdige
Meisjen verrukt;
Het glimmen Der kimmen,
En t klimmen der zon,
Uw schoonheid Ten toon spreidt
Zoo fraai het maar kon
Bij t dalen Dier stralen
Uw pralen heeft uit,
Uw knopjen, Uw topjen
Zijn de aarde ten buit;
De winden Ontbinden,
Verslinden uwe eer;
Door d’ avond Gehavend,
Verwelkt ge reeds weêr!
Zoo spoeyen Na t bloeyen
En t groeyen der jeugd,
De stonden, Verbonden
Aan wereldsche vreugd.
Het leven, Ons even
Gegeven, gaat voort,
Door stormen En wormen
Van droefheid gestoord;
Uw zaden En bladen,
Den maden ter prooi,
Versterven En derven
Ook spoedig hun tooi;
Geen muren Verduren
Der uren geweld;
Ook vorsten bezwijken, Hoe trotschlijk zij prijken,
In spijt hunner wachten, Voor t woên en de krachten
Des tijds, die de roos en den eikeboom velt!
R.H. Arntzenius (1777-1823)
•• Abonnees van Laurens Jz Coster krijgen iedere werkdag een gedicht in hun mailbox.
Laat een reactie achter