
•• De Herman de Coninckprijs is dit jaar voor kamers van Sandrine Verstraete. Onderstaand gedicht uit de bundel is ook opgenomen in de bloemlezing De 44 met daarin de beste voor de prijs ingezonden gedichten.
‘jachtpels waaronder het herinnerde hurkt, zo wonen wij en ademen’
maar ik ken de roofbouwhanden van mijn biografie, ze planten dahlia’s
voor alle kinderen die ik niet was en begrenzen de perken,
de concessies van de graven zijn verlopen, de scheppersaanspraken op meer tand en merg
verjaard — toch ving zo veel nog geen lettergrepen
gezoogd en geschoold werden mijn aangezichten,
de hand brak hier
mijn anatomie ontluisterde de sprookjes, dat ik minstens één vastgeslagen tong heb, is aan te
horen, geloof daarom
nooit mijn mond:
ik had geleerd in messchone sjablonen te denken maar liet ’s nachts steeds weer de deuren open
en wachtte als een weefselvrouw met lange waaiharen op dwalende roedels wild
gelispel, omhels ze tot mijn frasen bijten als een inhalig jong
startte daar mijn tocht om jou te grijpen, ommoederd als ik was
door doodlopende handen en artroseminnen die zweet verlangen als ruil
en het paaien van de koningswoede
ben ik monsterlijk? maak ik geliefden bang?
het vlees is toeschouwer, het vlees is onschuldig, ik stond
zo verdwaald in het kind dat ik was, want het bloed valt steeds op zichzelf terug
bij zo veel ongebruikte eigenrichting:
laat mijn geheugen
morsig en losbandig zijn, woest
keelruig dat zich vertaalt en verdicht
Sandrine Verstraete (1986)
uit: kamers (Het Balanseer, 2025)
•• Abonnees van Laurens Jz Coster krijgen iedere werkdag een gedicht in hun mailbox
Laat een reactie achter