
Ik moest vanmorgen denken aan Willem Wilmink. Ik hield van die man. Heb les van hem gehad in Close Reading. Hij volgde een docent op wiens werkcolleges op vivisectie leken want het gedicht lag na behandeling keurig gefileerd in taalkundige brokken morsdood te wezen in de vriescel die het collegelokaal geworden was. Maar met de komst van Willem Wilmink veranderde dat. Een buitengewoon docent ging zijn liefde met ons delen voor taal en poëzie. We bleven uren bezig met “Om mijn oud woonhuis peppels staan” van Leopold en toch bleef dat gedicht fascinerend en levend.
Willem was een man van stokpaardjes en zijn hele leven bleef het close-readen en het geven van een onverwachte interpretatie van regels een terugkerend item in zijn conversatie. Hij had bijvoorbeeld een grote voorkeur voor de ballade-vorm en legde ook uit hoe die in elkaar stak met zijn terugkerende stock-regel zoals in een gedicht van Antonis de Roovere: “Tong achter de tanden zwijgt stil”. Vervolgens vertelde hij dat die regel later in de loop der tijd steeds meer regels kreeg tot het refrein in het lied een apart muzikaal deel kon worden.
Maar soms, zo vertelde Wilmink, zie je in moderne ballades toch die Middeleeuwse stockregel terug zoals bij de terugkerende regel “die straatjongen uit Rotterdam” En dan was Willem waar hij wezen wilde, bij de ballade Ketelbinkie met de beginzin “Toen wij van Rotterdam vertrokken”
In de collegezaal bedachten we tientallen zinnen waar die van-constructie in zat zodat we na analyse onder woorden konden brengen dat vàn Rotterdam vertrekken iets anders is dan uit Rotterdam vertrekken. Wilmink maakte duidelijk dat het in ballades als Ketelbinkie niet gaat om het lot van dè zeeman maar om het lot van 1 zeeman die geen zeeman had moeten worden. Hij wees op de ballades van Francois Villon waar vaak namen instaan om het verhaal nog concreter te maken.
Na afloop van het college zei ik dat ik de indruk had dat Ernst van Altena die hele Francois Villon aan het verfraaien was in zijn vertalingen. Als er couteau staat in het origineel, maakt Van Altena er ponjaard van in zijn vertaling.
Zo’n opmerking leidde dan ook na het college tot uitgebreide discussies in het café. Jaren later kwam Willem – met wie ik ondertussen bevriend was geraakt – nog eens op terug op vertalen in een radio-interview met mij. Hij zei daarin dat hij iedere werkdag begon met een stukje te vertalen. Dat is net zo iets als een beeldhouwer die zijn beitels scherp slijpt voor hij aan zijn werk begint. Vertalen start je taalvermogen op, alle laden en kastjes van je taalbergplaats gaan open en je weet alles weer te vinden.
Hij vertaalde het liefst in het zelfde ritme en rijmschema en hij wilde ook dat de regels niet door elkaar gehaald werden maar op dezelfde plek in het gedicht bleven, want “vertalen geeft je een vaardigheid over de versvorm die fijn is. Je hebt er veel aan, je leert ook de dichter veel beter kennen. Je komt ook zwakke plekken van hem tegen, slecht vertaalbare plaatsen soms en dan denk je: is dat nou mijn schuld of is hij hier niet zo sterk bezig. Dat merk je alleen bij het vertalen.”
Willem bewonderde de vertalingen van Ida Gerhard en zei toen over Van Altena dat die weliswaar een hele grote taalvaardigheid had, maar dat hij in zijn Villon-vertaling alle getallen vergroot had. “Als er staat douzaine maakt hij er honderd van. Hij heeft ook de neiging de zaak te versieren. Ik hou van je: Ik min u. Hij probeert couleur locale van toen er in te schrijven, het wordt dan rustieker en daar ben ik niet voor. Ik probeer de tekst juist naar nu te halen.” Wilmink vond Francois Villon magnifiek vertaald maar zag ook fouten bij Van Altena “Ergens laat hij een harmonicaspeler iemand aanspreken met Vrind. Dat is fout want harmonicaspelers hebben geen vrind die hebben een vriend. Cellisten hebben vrinden. Ja nu ben ik wel een beetje aan het mierenneuken hoor, maar daar hou ik ook wel van – bij een ander.” Maar dat mierenneuken was nu juist de kern van het vak close-reading, we leerden er ontzettend nauwkeurig van lezen.
Ik herinner me een college waarin het ging over slechte poëzie. Hij vertelde ons dat zijn hoogleraar Prof. Donkersloot de opmerking maakte dat sommige gedichten poëtisch voorverwarmd worden door het gebruik van bepaalde zg poëtische woorden. Hij gaf als voorbeeld “Ranke ree”, als het maar een ree was, was het een mooi gedicht. In dat soort gedichten stond de poëtische choke uit, quatschpoëzie noemde Willem dat, quasi poëzie die lijkt op poëzie maar eigenlijk rommel is, poëzie zolang je maar niet goed luistert. Dat leidde tot een discussie over kitsch en echtheid.
Hij citeerde professor Dresden die geschreven had dat iets kitsch is als het zich voordoet als iets anders dan het is. Een klok die een wagenwiel nadoet of zo. Maar, zei Wilmink, er zijn Peruaanse drinkbekers gevonden in de vorm van een mannetje en die vindt niemand kitsch. Het is heel moeilijk om uit te maken wat echt mooi is en wat onzin en het wordt steeds moeilijker naarmate iets ouder wordt. Als het maar oud genoeg wordt, wordt het vanzelf kunst. Echt en onecht is ook een heel lastig criterium vond Willem en daar kwam weer een stokpaardje: “Iets moest eerlijk zijn in de architectuur. Berlage. Maar een heel oneerlijk ding is de Westertoren. Het lijkt zandsteen maar het is een betimmering met zandsteen eromheen en bovenop is het zink. Zo onecht als maar kan en toch is het de mooiste toren van de hele wereld.”
Een goede docent is een kostbaar bezit voor het leven.
Laat een reactie achter