Drie hoogleraren (Lotte Jensen, Stine Jensen en Ronald van Raak) schrijven in de NRC van 28 maart dat het een van de mooiere kanten van Europa is dat hier zoveel verschillende talen gesproken worden. Ze vinden dat dat gekoesterd moet worden. Daar kun je het moeilijk mee oneens zijn. Tegelijkertijd laten zij zich behoorlijk negatief uit over het soort van Engels dat in Europa gebruikt wordt als lingua franca. Ze vinden dat maar een kleurloze taal, noemen het de taal van het neoliberalisme, en ook valt het woord “eenheidsworst”. Ze erkennen wel dat het Engels handig kan zijn als internationale academische taal.
Zouden deze hoogleraren doorhebben dat er momenteel, vlak onder hun neus, in hun universiteitssteden, een superinteressant en in mijn ogen zelfs heel opwindend experiment gaande is? Het Engels dat ik iedere dag in mijn eigen universiteitstad om mij heen hoor, ver van de collegezalen, in de horeca en op straat, is helemaal niet zo kleurloos en homogeen, het is levendig, en de gesprekken die erin gevoerd worden zijn over het algemeen niet neoliberaal. Ook heb ik de indruk dat dit Engels ieder jaar beter wordt. Tegelijk weten we er wetenschappelijk-empirisch weinig over. Zou het niet een prachtig onderzoeksobject zijn?
Waarschijnlijk heeft het nu al de nodige interne variatie. Het hippe Italiaanse meisje met het oranje geverfde haar dat in een Utrechts bruin kroegje de klanten in haar vorm van Engels te woord staat, gebruikt echt niet hetzelfde Engels als de voormalige Nederlandse corpsstudent die nu internationaal moet communiceren bij een belastingadviesbedrijf op de Zuidas.

Laat een reactie achter