
•• Zoals wel meer schrijvers debuteerde F. Bordewijk (onder het pseudoniem Ton Ven) met een bundeltje gedichten, de meeste wat kluchtig en/of gewrocht.
Schijn
Ik houd van feestgedruisch, – van ’t harde licht,
dat uit reflectors neerschiet in de zaal, –
van carnavalspret, en van dolle taal, –
van schaterlach op een vermoeid gezicht, –
van hen, die stil verbloeden aan de kwaal
huns harten, maar nog, wild omhoog gericht,
een walspas dansen, – van een lichaam, dicht
bedekt met wonden, die men achter praal
van ’t feestkleed niet vermoedt. – Ik houd van schmink
op een verteerd gelaat, – van oogen, groot
van tranen, en van belladonna zwart, –
van koperen muziekdeun, en geklink
van glazen, dat het stille schreien doodt, –
van vreugde als het masker van de smart.
•••
Vuurdood
Ik had een vriend met blonden geitebaard,
een bosje stroo, dat neerhing van zijn kin.
Hield ik een lucifer uit speelschen aard
daaronder, – poef! dan vloog de vlam erin.
Een zuil van vuur, – wat rook, niet noemenswaard, –
weg was de baard! – Mijn vriend, bedroefd van zin,
keek op zijn neus. Geen haartje was gespaard.
Hij vond mijn speelschheid dan ook doorgaans min.
Zoo schiet vaak in den ernst van mijn gedicht
opeens de lucifer van mijn critiek.
Een vlam! – En van het vers blijft enkel asch.
Mistroostig schud ik dan mijn flets gezicht,
en slenter met gezengde dichterwiek
naar buiten, neuriënd met droeve bas.
F. Bordewijk (1884-1965)
uit: Paddestoelen (1916)
•• Abonnees van Laurens Jz Coster krijgen iedere werkdag een gedicht in hun mailbox
Laat een reactie achter