
•• Bij de nieuwe titels in de DBNL ook een bundel van Francijntje de Boer.
Aan een gevallen meisje.
Treur vrij, Sophia! treur! zoo diep ter neêr gevallen,
Is al uw heil verwoest, uw vreugde op aard’ voorbij.
‘k Voel ook mijn hart geschokt om uw verneedrend lijden:
Sophia! ach, vriendin! hoe dierbaar waart gij mij.
Is ’t mooglijk, kon de taal der Wellust u bekoren?
Vergun mij deze vraag, daar traan op traan me ontvloeit.
‘k Verfoei den snooden, die u aan u zelve ontvoerde,
U, die voorheen aan deugd, aan kuischheid waart geboeid.
Bedwelming heeft gewis verstand en hart beneveld,
Toen gij u zelf vergat in ’t ijslijk oogenblik,
Waarin de kalmte en rust uw harte was ontweken,
Dat pijnlijk kloppen zal nog bij den laatsten tik.
Of koester ik misschien te gunstige gedachten:
Heeft ook ligtzinnigheid u reeds in haar gebied?
O God! dan is ’t te laat, dan denkt mijn hart met weemoed
Aan d’afgrond, die u dreigt in ’t akelig verschiet;
Maar, neen! zoo verre ontaard van vroeg beminde deugden,
Geheel der Wellust prijs, is mijn Sophia niet;
Slechts opgewonden drift deed hem uwe onschuld offren,
Die, na voldoening, u den dolk in ’t harte stiet.
O! keer dan weêr terug, doet u uw misstap blozen;
Voelt gij het diepst berouw in ’t neêrgebogen hart,
Keer weêr, Gods gunst zal uw verloren rust herstellen;
Hij zag uw’ misstap, maar ziet ook den traan der smart
Leef voor ’t onschuldig kind, door misdaad u geboren,
Wiens aanblik uwe ziel vervult met droefenis;
Geleid haar waakzaam langs dit glibbrig pad des levens;
Wijs haar de steilten, waar uw deugd bezweken is;
Zoo zal uw voorbeeld mij en ieder meisje leeren,
Hoe ligt men hier zijn doel op eigen krachten mist;
Hoe steeds verleiding ons bij elken tred blijft volgen,
En vaak één enkel uur geheel ons lot beslist;
Het doe ons de eedle deugd der kuischheid hoog waarderen,
Zoo vaak, helaas! door ’t vuur der driften ondermijnd.
Hoe menig meisje zou door haar nog vrolijk bloeijen,
Wiens leven, nu beangst, om haar gemis verkwijnt.
Sophia! vaar dan wel! haast volgt een beter leven,
Waar ook, door ’s Hemels gunst, den boetling heil verbeidt;
Nog eens, vaarwel! O dat geen wanhoop u doet kwijnen!
Verbeetring is alleen de weg naar de eeuwigheid.
Francijntje de Boer (1784-1852)
uit: Dichtproeven (1815)
•• Abonnees van Laurens Jz Coster krijgen iedere werkdag een gedicht in hun mailbox
Laat een reactie achter