
•• Uit Morren tegen de sterren, de nieuwe bundel van Luuk Gruwez.
Opstanding
Paasochtend. Je ligt nog na te soezen op een voorjaarsmatras.
Niet te vatten dat een heiland het op een zucht van Golgotha,
kort na zijn verscheiden, wonderwel voor mekaar
heeft gekregen zo goed als kerngezond te verrijzen.
Je had gister – journaal laat – er enkel oog voor
dat ploert na ploert het scherm bezoedelde.
Woontorens en hospitalen in de fik: een vader
bejammerde zijn stuk gebombardeerde zoon, aaide
zijn gehavende wang, kreeg zijn tranen niet stil.
Pluizend in het alfabet zocht je naar zin, regels,
eertijds dapper neergeschreven: ‘Waarom niet ik,
waarom ben ik al mijn tijd ongedeerd gebleven?’
Dat zovelen alleen uit medeleven leven:
telt dit als credit voor een escapade uit de hel?
En wat met het omarmen van iets als erbarmen?
En dat het geenszins strafbaar is jezelf daaraan te warmen?
De ochtend gloort. Je spoedt je als een uk naar een tuin
van tientallen jaren, ja, zelfs eeuwen geleden.
In de volle fleur van hun bestaan vertonen zich tulpen,
madelieven, hyacinten, vergeet-me-nieten.
Maar paaseieren? Vergeet het! Liggen er niet.
Luuk Gruwez (1953)
uit: Morren tegen de sterren (Querido, 2026)
•• Abonnees van Laurens Jz Coster krijgen iedere werkdag een gedicht in hun mailbox
Laat een reactie achter