
•• Twee gedichten uit tot de zon zwelt, de debuutbundel van Pim Cornelussen.
Uit de maat
De rozen bloeien dit jaar voor de vierde keer,
elke kelk geurt weer naar de lente. Een duif draagt
takjes aan voor een nieuw nest, een spitsmuis
zoekt overwoekerde paden. Ganzen steken niet meer
over naar een ander continent, in het gezoem van bijen
schalt de zomer. Zal de winter straks vallen
of kantelt de zon richting een langgerekt seizoen
tussen neergang en ontluiken? Het zou morgen
kunnen sneeuwen, nieuw leven bevroren in een nacht,
of de hitte zou ons naar adem kunnen doen happen, tot niets meer overblijft
behalve het geel van ontreddering. Misschien
ligt het antwoord wel op de vleugels van de vlinder die opstijgt
uit het struikelende ritme van de kelk van de roos in de tuin:
een tekening van de zomer, gebarsten in winterse schutkleuren.
•••
Droom
’s Nachts drijven we weg in het donker,
vloeit de dag over in de zee van verdwenen jaren.
Aan de oevers van de tijd wachten mensen op ons.
Pim Cornelussen (1989)
uit: tot de zon zwelt (Pelckmans, 2026)
•• Abonnees van Laurens Jz Coster krijgen iedere werkdag een gedicht in hun mailbox
Laat een reactie achter