Onbenoegen van mond en ogen Ik mag nauw uw gelaat, die englentroon, belonken*,Of mijn kuszieke mond brandt straks* van minnenijd;Doch boet zij hare lust, aan de uwe vastgeklonken,Zo barst mijn oog van spijt.Ei min! opdat die twee eendrachtig wezen mogenGewaardigt voor uw slaaf dus wonderdaad te doen:Laat als ik Lilla zie, ook lippen zijn, mijn ogen,En elke straal* een … [Lees meer...] overJohan de Brune • Onbenoegen van mond en ogen