• Door naar de hoofd inhoud
  • Skip to secondary menu
  • Spring naar de eerste sidebar
  • Spring naar de voettekst
Neerlandistiek. Online tijdschrift voor taal- en letterkunde

Neerlandistiek

Online tijdschrift voor taal- en letterkundig onderzoek

  • Over Neerlandistiek
  • Contact
  • Homepage
  • Categorie
    • Neerlandistiek voor de klas
    • Vertelcultuur
    • Naamkunde
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Archief
    • 10 jaar taalcanon
    • 100 jaar Willem Frederik Hermans
  • Jong Neerlandistiek
  • Frisistyk
  • Mondiaal

Een Oost-Indisch dove albino in Batavia

12 april 2018 door Redactie Neerlandistiek 1 Reactie

Een nieuwe oudste vindplaats van ‘Oost-Indisch doof’

Door Annemieke Houben

Waar en wanneer de uitdrukking ‘Oost-Indisch doof’ precies is ontstaan, is niet duidelijk. Tot nu toe werd aangenomen dat de oorsprong ervan ergens in het begin van de negentiende eeuw lag. Een online zoektocht leidde echter tot twee achttiende-eeuwse vindplaatsen.

De bevolking van Oost-Indië zou zich tegenover Nederlanders nogal eens doof gehouden hebben.  Dit omdat het meegedeelde hun niet zinde, óf om langer te kunnen nadenken over een eventueel antwoord. De negentiende-eeuwse spreekwoordenspecialist P.J. Harrobomée opperde dat dit gedrag wellicht te herleiden is tot een klimaatgebonden traagheid.

De oudst bekende vindplaats van de uitdrukking was een artikel in de Arnhemsche Courant van 25 juni 1835. Met handig zoeken op Google Books en Delpher zijn er echter meerdere oudere voorbeelden te vinden. Zo kwam ik hem ook tegen in het pamflet ‘Brief van een Hollandsch Patriot; aan zyne vrienden in Duitschland’ uit 1793. Een nog oudere vermelding vond ik in de opmerkelijke, in Oost-Indië geschreven ‘Beschryvinge van eene blanke negerin uit de Papoesche eilanden’ (1780, gepubliceerd in 1784*) van Josua van Iperen.

De jonge Papoease albinovrouw Penau is door Hollanders aangekocht en als werkkracht verscheept naar Ternate. Van daaruit wordt zij in 1779 ter bestudering naar het Bataviaasch Genootschap der Konsten en Wetenschappen gestuurd. Aanvankelijk is ze zo schurftig dat onderzoeker Van Iperen zijn slaven en zijn huisgenoten niet aan haar durft bloot te stellen, maar na een uitgebreide behandeling met tamarindeblad en salpeter is ze op 14 december 1779 klaar om geïnspecteerd en ondervraagd te worden.

Aandachtig beschrijft hij haar rossige kroeshaar (‘zoo fraai [..] ingelast, dat men niets aardiger begrypen kan’) en haar blauwe ogen met oranje en gele accenten. Haar huid is wit, rimpelig en grof, terwijl ze nog heel jong moet zijn, want haar borsten zijn nog niet volgroeid. Hij besteedt aandacht haar dikgerande, uitstaande oren, die in haar jeugd expres naar voren gebogen zijn, zodat ze later beter zou horen. Toch lijkt er wat bijzonders aan de hand te zijn met haar gehoor:

‘Zy is een weinig doof; maar de doofheid blykt ons niets anders te zyn, dan een langdurig overleg om iets wel en voorzichtig te begrypen, eer zy kan of durft antwoorden. Men noemt dit, hoewel ook nog in eenen anderen zin, Oost Indisch doof; en ik bespeure, dat de Javaanen, Chineezen en andere Oostersche Natien een diergelyk zweemzel van doofheid telkens laaten blyken.’

Van Iperen vermoedt dat dit culturele fenomeen westerlingen nogal eens op het verkeerde been heeft gezet. Hij citeert een stuk uit het reisverslag van de Portugese ontdekkingsreiziger Jorge de Menezes, die in 1527 als eerste Europeaan kennismaakt met Papoea’s: ‘Zy zyn wel mager en verstyfd, maar kunnen zeer wel tegen den arbeid, en [zijn] van natuure tot allerlye schelmstukken en verraad genegen. Onder hen vindt men veele Dooven, en sommige, die maar weinig zien.’

De Menezes zou Oost-Indische doofheid dus wellicht voor echte hebben aangezien. Van Iperen, die op het moment van schrijven nog geen jaar in Batavia verbleef, was al wel op de hoogte van deze soort van hardhorendheid. Uit zijn schrijven blijkt dat de uitdrukking in 1780 in ieder geval al werd gebruikt voor mensen die doen alsof ze iets niet gehoord hebben om tijd te winnen. De ‘anderen zin’ waarop hij doelt, is waarschijnlijk die waarin personen een hun onwelgevallige mededeling of opdracht negeren.

* Gepubliceerd in: Verhandelingen van het Bataviaasch genootschap, der konsten en weetenschappen. Johannes Allart, Amsterdam / Reinier Arrenberg, Rotterdam, 1784

Delen:

  • Klik om af te drukken (Opent in een nieuw venster) Print
  • Klik om dit te e-mailen naar een vriend (Opent in een nieuw venster) E-mail
  • Klik om te delen op Facebook (Opent in een nieuw venster) Facebook
  • Klik om te delen op WhatsApp (Opent in een nieuw venster) WhatsApp
  • Klik om te delen op Telegram (Opent in een nieuw venster) Telegram
  • Klik om op LinkedIn te delen (Opent in een nieuw venster) LinkedIn

Vind ik leuk:

Vind-ik-leuk Aan het laden...

Gerelateerd

Categorie: Artikel Tags: woordgebruik

Lees Interacties

Reacties

  1. Klaas Jac. Eigenhuis zegt

    12 april 2018 om 21:04

    “De ‘anderen zin’ waarop hij doelt, is waarschijnlijk die waarin personen een hun onwelgevallige mededeling of opdracht negeren.”
    Ja, dus Oost-Indisch doof in de zin van ‘niet horen willende’ is ouder (dan 1780). Het woord Oost-Indisch, of ook West-Indisch, werd ingekort tot nl. stiens, steens, en fries stynsk, en ging op slot betekenen van ‘uit een verre streek afkomstig’ via ‘exotisch’ tot ‘alternatief, zeldzaam’. Leuk dat Van Iperens uitspraak dat aantoont!
    Maar ja, een bijbehorend jaartal van attestatie hebben we daarmee nog niet. In vast wel oudere plant- (Stynske Weet ‘Maïs’) en diernamen (Steense Rat) hebben we nog niet de betekenis ‘alternatief, zeldzaam’.
    Klaas Jac. Eigenhuis

    Beantwoorden

Laat een reactie achterReactie annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Primaire Sidebar

Gedicht van de dag

Gustaaf Peek • Orang-oetan

Je verlangt je gromt

Je bent een reiziger
Hoe blijf je hier tevoorschijn komen

➔ Lees meer

Bekijk alle gedichten

  • Facebook
  • YouTube

Chris van Geel

Het web houdt zijn gezicht hol in de wind,
de spin heeft het verlaten, sterren staan
er in, wind scheurt het van de aarde,
van leeggevreten gaten waait het schoon.

Bron: Maatstaf, oktober-november 1965

➔ Bekijk hier alle citaten

Agenda

10 februari 2026: Nascholingsmiddag Lezen voor waarden

10 februari 2026: Nascholingsmiddag Lezen voor waarden

13 januari 2026

➔ Lees meer
31 januari 2026: Glanzende geheimenis / Hemelse vreugde – over P.C. Boutens 

31 januari 2026: Glanzende geheimenis / Hemelse vreugde – over P.C. Boutens 

12 januari 2026

➔ Lees meer
25 januari 2026: Wel verdiend, niet ontvangen

25 januari 2026: Wel verdiend, niet ontvangen

8 januari 2026

➔ Lees meer
➔ Bekijk alle agendapunten

Neerlandici vandaag

sterfdag
1991 Jan de Zanger
➔ Neerlandicikalender

Media

Vertel het iemand van Rachida Lamrabet

Vertel het iemand van Rachida Lamrabet

13 januari 2026 Door Vlogboek Reageer

➔ Lees meer
In gesprek met auteur Jeroen Theunissen

In gesprek met auteur Jeroen Theunissen

12 januari 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
Ik zie op tegen interviews…

Ik zie op tegen interviews…

11 januari 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
➔ Bekijk alle video’s en podcasts

Footer

Elektronisch tijdschrift voor de Nederlandse taal en cultuur sinds 1992.

ISSN 0929-6514
Bijdragen zijn welkom op
redactie@neerlandistiek.nl
  • Homepage
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Over Neerlandistiek
  • De archieven
  • Contact
  • Facebook
  • YouTube

Inschrijven voor de Dagpost

Controleer je inbox of spammap om je abonnement te bevestigen.

Copyright © 2026 · Magazine Pro on Genesis Framework · WordPress · Log in

  • Homepage
  • Categorie
    • Voor de klas
    • Vertelcultuur
    • Naamkunde
  • Archief
    • 10 jaar taalcanon
    • 100 jaar Willem Frederik Hermans
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Jong Neerlandistiek
  • Frisistyk
  • Mondiaal Neerlandistiek
  • Over Neerlandistiek
  • Contact
 

Reacties laden....
 

    %d