
Ik moest vanmorgen denken aan de beroemde schrijver Lodewijk van Deyssel. Al in de jaren dertig was de meest gevreesde van de Tachtigers een levend monument geworden. Een ongenaakbaar iemand die je niet zomaar kon aanspreken. Zelfs zijn stadgenoot Speenhoff die aan het Frans Halsplein in Haarlem woonde in een te duur huis met veertien kamers. Hij durfde Van Deyssel niet aan te spreken toen hij hem in de Grote Houtstraat aandachtig zag staan staren in de etalage van een korsettenwinkel.
De grote tijd van Speenhoff was voorbij. Iedereen kende hem maar hij werd nog maar weinig gevraagd om te zingen. Ouderwets geworden. Hij verarmde. Maar juist toen won hij een prijs in de loterij. Honderd gulden, zoiets als duizend euro nu en Speenhoff besloot dat dit geld ten goede moest komen aan de kunst.
Hij schreef er later dit over:
Ik tremde naar de kleine Brinkman te Haarlem en zetelde me daar als een vinkenvanger. De eerste kunstenaar die onder mijn slagnet zou strijken zou ik verleiden en ontvoeren met al de zedeloze gevolgen ervan. Ik bezat toen een grote auto uit de Oost medegebracht, een geschenk van een dozijn Deli-tabakboeren aan mijn vrouw. Een reiswagen die 45 graden klimmen kon en plaats bood voor zeven lieden. Een droom op wielen of zoals mijn chauffeur Poer van Kotta Radja het noemde: „Rodja-tjioem-Zoen op wiel!”
Ik vergastte me op een versnapering van vloeiend brood en wie schrijdt er binnen als een gewone winkelier? . . . Lodewijk van Deyssel. Ik boog nederig en hij zetelde zich elders. Hij bestelde een fles Bourgogne en een schijf Franse kaas met kaakjes en geroosterd brood en gezouten boter. Dat was zijn diner. Zou ik hem aanspreken met mijn honderd pop? Zouden we samen . . . ? Zou hij het aanvaarden? Zou hij niet hooghartig: neejen? Ik waagde het erop en voorbijgaande sprak hij me aan en noodde me aan zijn dis.
We dronken een glas wijn in stede van een mutsje Bols en ik snoepte een keekie van Verkaje. En ik dacht aan mijn auto en mijn ‘cent balles’ en sja . . . verwende lezers, de eerwaarde nam het aan . . . we zouden een toertje gaan maken naar Laren-Gooi en bij Hamdorp wat gaan mijmeren. We reden van Laren terug naar Amsterdam en bedachten ons in de Bodega ten Vijgendam van een oorlam. Ik vroeg mijn gast of hij nog een laatste wil had en hij zegde: Zandvoort. Ik beval mijn autodrijver zich daarheen te spoeden en geen mensen te vermorzelen. Ook te Zandvoort mikten we ons een Bodega binnen en ook daar verversten we, zoals Jan Huijgen op Madagascar. Nu was het bereids zes uren geworden en ik belde te Haarlem Brinkman op om nog te wachten met afwerken des maaltijds . . . want we zouden wat later aankomen. Dat deden we. Want na Zandvoort had mijn gast nog een grote behoefte aan Scheveningen la belle. Ik ordonneerde mijn sjappir er heen te gassen.
Fris en vrolijk en aangemoedigd door de natuur en hare goede gaven kwamen we aan en wederwaarts klommen we in de Bodega, aldaar. Nu om een geurig kopje thee te snoepen met een krakertje. Mijn gast rookte even aan een havana-strootje en werd nu vertrouwelijker. We waren al twee uren onder gas. Hij ging me vertellen over de Tachtigers en over avonturen en we vergaten geheel „das kleine Brienkherrchen” te Harilem, tot van Deijssel voorstelde om te gaan spijzen.
Daar togen we rugwaarts en daar enterden we Haarlem en daar was het eethuis en daar stonden de tafel en de kelner en de mosterdpotten. We gingen aan tafel en het was van een heelal-heerlijkheid. Alles smaakte zó dat enkele nijvere doch uitgehongerde kunstenaars zich bij ons voegden en mede genoten van het tafelplezier. Mijne honderd florijnen waren onze loopgraven en bovendien had ik pof. Mijn gast bleef als een Koninklijke Hoogheid zo stijlvol en welbespraakt.
Het werd een groot festijn. Mijn auto deed busdienst want vele pelgrims in de kunst sneuvelden. Een is er zelfs nimmer teruggekomen en we vreesden dat hij er ook nimmer was. Het werd een maal van Gargantua via Rabelais of zo. De keukens werden geledigd. De spijskaarten evenzo. De wijnkelders begonnen te vereenzamen en de sigaren en sigaretten werden schaars. Er kwam een einde aan om één uur. Sluiten heren! De politie miek er een einde aan en ik deed allen naar hunne pondoks en goedangs brengen en we waren gelukkig geweest en mijn prijsje uit de loterij was wel besteed.
De laatste maal dat ik hem zag was op een tentoonstelling van verwerijen te Haarlem, in een museum meen ik. Hij was zonder aanzien des persoons gekleed. Hij liep wat zegenend en als op een akker. Hij bekeek de meesterwerken en zei er iets over tot een begeleider. Hij was opgewekt en fris en in orde en hij is toch al een iemand die wat ouderlings wordt. Ik besluit hiermede, dat toen hij zijn grote feest vierde, ik meen te den Haag, hij er zich over verwonderde dat ik ook niet was uitgenodigd. Dank. Ik nodig hem uit mij te bezoeken. Tabeh.
Laat een reactie achter