
Mei 1866 op de rivier de Schelde, nabij de haven van Antwerpen. Gustav, opvarende van het emigrantenschip Agnes waar een nog onbekende ziekte heerst, bemerkt de stilte. De stedelingen verhinderen de komst van het schip:
Nieuwe zieken van boord halen bleek onmogelijk, terugkeren naar de stad was verboden. Dus werden ze een bocht verder gesleept om voor anker te gaan (11).
Engel van de blauwe stad is de tweede historische roman van Carmen van Geffen. Van Geffen, die naast schrijver ook beeldend kunstenaar is, debuteerde in 2023 als proza-auteur met de lovend ontvangen historische roman Erfstuk. In Erfstuk dook zij in het leven van haar grootvader en de gevolgen van het kolonialisme in Nederlands-Indië voor haar eigen familie.
Ook de thematiek van Engel van de blauwe stad is nauw verbonden met de achtergrond van de auteur. Van Geffen studeerde in Antwerpen, is er werkzaam en deed onderzoek naar probleemwijken in deze stad. Opvallend aan de ontvangst van deze nieuwe roman is het gebrek aan media-aandacht. Zou dat liggen aan de historische thematiek? Terwijl het Nederlandse koloniale verleden momenteel volop in de belangstelling staat, is een onderwerp als dat van de Antwerpse choleraepidemie van 1866 misschien veel minder populair. In het eerste hoofdstuk leren we Hélène Cauwelaert kennen, het hoofdpersonage van de roman (de achternaam lijkt op de Belgische familienaam Van Cauwelaert, waarvan Frans van Cauwelaert burgemeester van Antwerpen was van 1921 tot 1932; het fictieve personage Hélène is volgens het nawoord geënt op de figuur Constance Teichmann). Zij is werkzaam als ziekenverzorgster en afkomstig uit de bourgeoisie van de stad. Op haar eigen verzoek wordt zij aan boord gehaald van de Agnes. De betrokken geestelijke, pastoor Teurlings, laat Hélène graag meehelpen:
Hélène was blijven aandringen, geholpen door de eerwaardes die godzijdank voor haar bleven pleiten (14).
Daarentegen beschouwt Hélène de dokter, Louis Stradling, die zij op de boot assisteert als iemand die zijn werk met tegenzin doet:
De dokter kwam haar nors voor, met weinig verlangen om naar de patiënten te gaan (14).
Al aan het begin van het boek wordt de aard van Hélène dus geportretteerd als tegenovergesteld aan de aard van deze dokter Stradling, wie zij blijft assisteren. De tekst benadrukt met behulp van die tegenstelling haar medische kundigheid en de onderwaardering waarmee Hélène als vrouw te maken krijgt bij haar werk:
Vanaf dat moment wist ze zeker welke richting haar leven zou nemen, niet de weg die de maatschappij voor vrouwen had bedacht (22).
Voor dokter Stradling is Hélène bedreigend, maar hij voelt zich graag haar weldoener:
ze mag blij zijn, vereerd zelfs, zo dicht aan de zijde van een geschoolde arts te mogen werken (40),
zo overpeinst hij. Zij ontwikkelen zich door de roman heen nauwelijks. Hun onderlinge rolverdeling ligt eveneens vast. Wel wordt het beeld van Hélène als ondergeschikt en onmachtig tot in het extreme uitgebuit aan het einde van het boek. Die onveranderlijkheid tegen wil en dank en de afstand in tijd die het verhaal dient te overbruggen resulteren erin dat de personages niet echt tot leven komen.
Een poging om toch bij het hedendaagse publiek aan te sluiten lijkt te zijn gedaan door een liefdesthema haar intrede te laten doen. Zo overdenkt dokter Stradling aan het begin van de roman de mogelijkheid van een huwelijk tussen hem en Hélène. Deze overdenking wordt niet omgezet in daden. Daarenboven behandelt de roman tegen het einde de jammerlijk onderbroken liefde tussen Hélène en de journalist Hendrik Persyn, die echt bestaan heeft, hoewel hij in 1866 nog niet volwassen was.
Het middenstuk van de roman geeft van dichtbij invulling aan de Antwerpse choleraepidemie van 1866. Daarbij zijn het vooral de huisbezoeken van het hoofdpersonage bij de arme burgerbevolking die de weerslag van de epidemie in de stad duidelijk en invoelbaar in beeld brengen. Het boek besteedt aandacht aan historische medische inzichten en gebruiken omtrent de behandeling, verspreiding en oorzaak van cholera. Die informatie maakt de tekst leerzaam, maar dergelijke thematische en stilistische keuzes verleggen de aandacht soms al te sterk van het plot naar de keuzes en interesses van de auteur.
Ook de keuze om de hoofdstukken te vernoemen naar de verschillende gebedstijden, te beginnen met het vigilie, is niet per se logisch. Gebed vindt in de roman namelijk niet plaats op vaste tijden zoals bij monniken, maar is verbonden met de wil om controle uit te oefenen op de verspreiding en genezing van cholera. De benaming vigilie voor het eerste hoofdstuk is nog het meest verbonden met de romanthematiek. Het vigilie is het nachtwaken voorafgaand aan een christelijk hoogfeest, en keert dus niet dagelijks terug. De functie van het vigilie is volgens het Nieuwe Testament van de Bijbel gelegen in een gerichtheid op het einde der tijden. Men dient ter voorbereiding hierop waakzaam te zijn, te bidden dat men ontkomt aan alles wat er gaat gebeuren en rechtop te staan voor de Mensenzoon. Als het beleid van het Antwerpse stadsbestuur volgens de aanwezige medische kennis en besluiten niet toereikend is om de epidemie in te dammen, is vasthouden aan het geloof de enige invloed die mensen kunnen uitoefenen op de loop van gebeurtenissen.
Engel van de blauwe stad is een vermakelijke roman die gemakkelijk wegleest. Desondanks is de roman weinig gedenkwaardig door de stilistische onbeholpenheid en de ietwat voorspelbare manier waarop de roman aandacht schenkt aan de onmacht van het hoofdpersonage. Wie een leuk boek zoekt voor op vakantie zit goed met deze roman, zeker als je een band hebt met de stad Antwerpen.
Laat een reactie achter