
‘Alles moet altijd opnieuw,’ zegt Ilse. ‘Hetzelfde is altijd anders.’ (p. 254)
Ieder mens moet zijn eigen leven uitvinden, in een noodzakelijke herhaling. Het maakt uit of dat persoonlijke leven in Duitsland tijdens de Weimarrepubliek geleefd wordt, of tijdens het presidentschap van Nixon, of dat van Trump. Maar niet eens zoveel, is het niet belangrijker wie de hoofdpersoon van dat leven is of wie het vertelt?
In Laatste man gaat het om een terugblik op het leven van de 64-jarige Martin Oonk. Meteen in het eerste, korte, hoofdstuk introduceert de ik-verteller de belangrijkste personages in dat leven: zijn vader, moeder, zus, vriendin (Ilse) en dochter. Ook de belangrijkste thema’s staan erin: liefde en dood. Weinig verrassend maar in welk mensenleven gaat het daar niet om?
Trouwens, ‘Hetzelfde is altijd anders’.
Maar dan, wat kiest de ik-verteller uit de immense feitenbrij van gebeurtenissen waaruit een mensenleven bestaat en welke interpretatie past daarbij? Volgens het motto van Walter Benjamin, Die Vergangenheit führt einen heimlichen Index mit, durch den sie auf die Erlösung verwiesen wird, moet Martins geschiedenis zelf de aanwijzingen bevatten die de ik-verteller nodig heeft en is het kunst die eruit te halen.
Voor Martins leven is de ziekte die zijn jeugd beheerst bepalend. Het is een ziekte waarvan hij niets begrijpt, die niemand hem uitlegt en die leidt tot een langdurig verblijf in het Sophia-kinderziekenhuis in Rotterdam in 1969, wanneer hij negen jaar is. Daar is Martin eenzaam: zijn ouders komen niet op bezoek want Rotterdam is te ver vanuit het oosten van het land. Dat alles maakt hem tot een beschouwer: hij observeert zijn situatie, zijn omgeving, hij denkt na.
De komst van Raymond Moulijn – inderdaad, zoon van – op de afdeling doorbreekt de lethargie. Hij heeft een voetbal bij zich en voetbalt met Martin in de gang. Raymond ziet aan de manier waarop Martin de bal speelt meteen dat hij een verdediger is, een ‘laatste man’. Raymond is zwaar gehandicapt, zit in een rolstoel, beweegt zich voort met krukken, desondanks voetbalt hij met overgave.
Het blijkt een rijke metafoor, voetbal. Na het verblijf in het ziekenhuis wordt Martin fanatiek voetballer, uiteraard staat hij laatste man. Voetbal verduidelijkt de relatie met zijn vader: die komt nooit kijken, is meer een schaker. Martin stopt met voetbal wanneer zijn dominante vriendinnetje Daniëlle hem opeist. Als Martin Geschiedenis studeert met een speciale belangstelling voor Duitsland is de voetbalmetafoor toepasbaar op de verhouding Nederland-Duitsland. Martin blijft zijn hele leven in de verdediging, bijvoorbeeld als het om zijn werk aan de universiteit gaat, wanneer daar de wind van het neokapitalisme gaat waaien. Het verbaast niet dat zijn dochter Esther op voetbal gaat en ook niet dat Martin al haar wedstrijden volgt. Esther, die hij verdedigt tegen, wil behoeden voor elk onheil. Martin staat nog steeds laatste man.
Herhaling, ja, maar dan net anders.
Op de vraag die Martins vader op zijn sterfbed stelt, of hij van hem gehouden heeft, kan Martin alleen knikken zonder zijn vader aan te kijken.
Het is een vraag als een boemerang.
Ik denk aan Esther die mij in Groningen een arm geeft als we samen door de stad wandelen; ze houdt van mij, denk ik, ze zegt het nooit, maar ik denk dat ze wel van me houdt, toch? (p. 267)
Tot zover. Al is er de verleiding meer te zeggen, bijvoorbeeld over het ontroerende en schrijnende hoofdstuk over Martins zus, Aline. Ik neem het mee, net als het portret van Raymond Moulijn.
Laat een reactie achter