Die keer dat ik De bananenlezers heb gelezen


De debuutroman De bananenlezers van Marlies Smeenge vertelt het verhaal van Loekie. Deze Nederlandse studente is aan het begin van het boek net aangenomen op de prestigieuze studie Woordkunst aan een Belgische toneelschool. Er is een hoop te zeggen over deze roman, maar eerst moet ik even stilstaan bij de titel.
Ik moest namelijk even nadenken over wat de auteur bedoelt met de term ‘bananenlezers’. Wie leest er nou in vredesnaam een banaan? En wat zou dan de figuurlijke betekenis ervan kunnen zijn? Op een bepaald moment schoot me opeens een meme te binnen, die in een grijs Facebook-verleden nog wel eens gebruikt werd als reactie van mensen die niet geïnteresseerd waren in het verhaal dat gedeeld werd. De meme vind je hiernaast.
Eureka, dacht ik. Een bananenlezer is iemand die niet geïnteresseerd is in hetgeen je te vertellen hebt. Toch bleek dat niet helemaal kloppend te zijn. Op pagina 246 spreekt Loekie zich uit tegen haar huisgenoten:
Je zou toch denken dat er tijdens al die uren gepraat hier aan de tafel ook zo nu en dan iets wezenlijks ter sprake komt, zeg ik, ‘dat niet iedereen hier de hele tijd een banaan zit te lezen. (…) Ik bedoel, we doen wel dingen, maar uiteindelijk zitten we hier toch iedere keer aan dezelfde keukentafel in dit huis waar jullie allemaal al jaren in een soort wachtstand staan.
Een bananenlezer is dus lethargisch, afwachtend, passief.
Goed, de titel is verhelderd, nu het verhaal nog.
Loekie gaat op zoek naar een kamer en komt terecht in een nogal merkwaardige woongroep, geheten ‘De kijkdoos’. Het is een labyrintisch huis waarin achter iedere deur een kleurrijk figuur huisvest. Al haar huisgenoten zijn figuren die stilstaan in het leven (dus bananenlezers zijn, in de woorden van Loekie), maar ieder op z’n eigen, authentieke manier. De relatie met haar huisgenoten gaat niet altijd even soepel. Loekie tast af, probeert haar huisgenoten te begrijpen, maar het levert met enige regelmaat wrijving op.
Wat ook voor wrijving zorgt is haar studie. Op de studie Woordkunst wordt een onmogelijke opgave aan studenten gesteld: ze moeten alles wat cultureel (of woordkunstig) interessant is bijhouden. Daarnaast leren ze acteren en schrijven van vooraanstaande docenten die op hun beurt de studenten eigenlijk niets meer leren dan enkel het adagium: ‘Niet geven, maar krijgen.’ Hoewel het advies een dooddoener is, moeten de studenten zich toch verhouden tot deze docenten. Ze weten namelijk, vanaf moment één dat ze binnen zijn, dat aan het einde van het jaar de afknaldag komt: de helft van de eerstejaars valt onherroepelijk af. En zo creëert Smeenge een spanningsboog die tot het einde van het verhaal voortduurt. Redt Loekie het wel of niet?
Daarnaast is er wrijving tussen de Nederlandse Loekie en de overige personages die Vlaams zijn: Loekie worstelt met de taal. Vlamingen spreken helemaal niet op de manier zoals op Ketnet of Canvas te horen is, waardoor Loekie ze met regelmaat niet begrijpt. Smeenge laat Loekie in een aantal geestige dialogen spartelen met het volkse Vlaams. Ook worden Loekies directheid en grofheid allerminst gewaardeerd door haar studie- en huisgenoten. De kern van roman zit in deze wrijving: Loekie doet haar best om toegelaten te worden tot een nieuwe groep waarvan ze de mores en de codes nog onvoldoende kent.
Het is duidelijk te lezen dat Smeenge cinematografisch goed onderlegd is. De hoofdstukken (op één na allemaal beginnend met ‘die keer…’) hebben iets Netflixiaans: alle hoofdstukken bestaan uit een herinnering die in eerste instantie willekeurig lijkt, maar in samenhang een groter geheel vormen. Deze kunstgreep heeft een tweeledig effect: enerzijds blijft het tempo in het verhaal consequent aanwezig en het geeft de auteur de mogelijkheid om veel herinneringen van Loekie aan te stippen. Anderzijds zorgt de indeling voor fragmentatie die de diepgang van het verhaal niet bevordert. Bepaalde hoofdstukken zijn zo mager uitgewerkt dat ze geen betekenis hebben in het grotere verhaal.
Ook is Smeenge uitvoerig op zoek naar de lach van de lezer. Er zitten veel geforceerde grapjes in het boek en de miscommunicatie tussen Loekie en haar Vlaamse tegenspelers is na een tijdje te veel van het goede. Misschien ben ik een zuurpruim, dat kan, maar ik vind dat de auteur zichzelf te kort doet door deze flauwigheid: Smeenge kan namelijk goed observeren en ze is in staat om in treffende metaforen handelingen en karaktereigenschappen te typeren (‘Als een reisleider die iedereen binnenboord wil houden, blokkeert Axelle met haar lichaam de voordeur’, ‘de gebarsten terracotta bloempotten met woekerende inhoud naast de voordeuren lijken te zeggen dat natuur vol enthousiasme alles overwint’, ‘Ik voel me een beetje een hamster in een laboratorium, zoals ze me allemaal licht voorovergebogen en verwachtingsvol zitten aan te kijken’).
Al met al is het een aardige debuutroman die op sommige vlakken veelbelovend is. Iets beter uitgewerkte hoofdstukken en iets minder flauwe humor de volgende keer. Of zoals de door Smeenge opgevoerde docenten het zouden zeggen: minder geven, meer krijgen.
Laat een reactie achter