Een sprookje en een anti-sprookje

Er was eens een schrijver, en die heette Tjeerd. Hij woonde in Rotterdam, een grote stad in een klein land. Tjeerd was dol op schrijven. Niets kon hem zo bekoren als het smeden van letters tot woorden, van woorden tot zinnen en van zinnen tot een boeiend verhaal. Dan vergat hij de bonzende en gonzende wereld om hem heen en verplaatste hij zich in de personages die hij zelf tot leven had gewekt.
Tjeerd had al meerdere boeken op zijn naam staan, van verschillende aard. Om die boeken gepubliceerd te krijgen, had hij op een dag zelfs een eigen uitgeverij opgericht, Japaleno Books.
Lezen deed hij veel, zoveel als hij maar kon. Andermans pennenvruchten gaven hem vrijwel altijd inspiratie. Op een dag begon hij aan de Sprookjes van Duizend-en-Een Nacht, de eeuwenoude Arabische klassieker. Hij raakte er zo door betoverd dat hij niet kon stoppen met lezen. Uren, dagen, weken verstreken zonder dat hij at of sliep, en toen waren ze uit.
Tjeerd ging naar bed, sliep drie etmalen achtereen en kwam er de vierde ochtend uit voor een hele rol beschuiten. Hij was weer op aarde.
Toch lieten de sprookjes hem niet los. De vertellingen kwamen uit Perzië, het huidige Iran. Het tirannieke Iran, waar enkel de harde werkelijkheid regeert. Met name vrouwen hadden het er zwaar, wist hij. Ze werden behandeld als minderwaardige schepsels en als ze opkwamen voor hun rechten, werden ze gevangengezet en gegeseld – niet zelden tot de dood erop volgde. Vooral de gevangenis Evin in Teheran, waar politieke gevangenen zaten, was berucht om zijn martelpraktijken.
Tjeerd rilde. Intens medelijden met deze onschuldige slachtoffers maakte zich van hem meester. Ineens schoot er iets door hem heen, als een pijl die de lucht doorklieft. Als hij nou eens een verhaal kon fabriceren waarin de sprookjes van vroeger en de realiteit van nu, zeg maar het anti-sprookje, samenkwamen. Sheherezade, de vertelster van de sprookjes, was immers ook een gevangene. Zij wist echter aan de dood te ontsnappen omdat ze het met behulp van spannende cliffhangers voor elkaar had gekregen sultan Shahriar meer dan duizend nachten achtereen te vermaken met haar sprookjes. Tjeerd raakte begeesterd door het idee. Hij klapte zijn laptop open en begon te tikken.
Uren, dagen, weken, misschien wel maanden later was het boek af.
Yasmina. Een vertelling uit Perzië, zo heet het nieuwe boek van Tjeerd Langstraat. De titel verwijst naar de hoofdpersoon, een jonge vrouw die gevangen zit in een kleine cel, ergens in Iran. Zij deelt die cel met Yale, een wat oudere vrouw die in de huid van Sheherezade kruipt en haar elke avond een sprookje vertelt. De sprookjes zijn voor Yasmina als balsem voor de ziel, ze masseren de angst voor wat komen gaat weg en wiegen haar ten slotte in slaap. Onnodig om hier te vertellen hoe het anti-sprookje eindigt.
Langstraat heeft de twee werelden knap aaneengesmeed. Een andere verdienste is dat hij niet zozeer de gruweldaden beschrijft die Yasmina en haar dappere lotgenoten moeten ondergaan als wel wat zij er in laatste instantie aan overhouden: een gevoel van ontmenselijking. Wie Yasmina heeft gelezen, zal daarna bij het zien van de kleur wit altijd een andere associatie hebben. En dat is geen prettige.
Laat een reactie achter